



"De Hagedis op sterk water" is een fictief verhaal die volledig uit de duimen komt van een schrijverscollectief. Dit verhaal is volledig verzonnen, enige vergelijking op levende, niet meer levende of zelfs gefantaseerde figuren berust op louter toeval.
Googelende (inderdaad, u leest het goed, googelende, niet goochelende) theemutsen die geen echt werk te doen hebben en een chronisch gebrek aan humor en relativeringsvermogen hebben alleen onder professionele begeleiding toegang"?
Als u toch vind dat delen van dit verhaal u bekend voor zouden komen klagen wij u meteen aan voor het bezit van een te grote hoeveelheid fantasie
Wij weten trouwens als geen ander dat het slecht gaat in de uitgeversbranche, alleen zien wij niet in wat men met het wegpesten van schrijfsels, die slechts als een hommage aan het euvre van de oude heer de Roos (hij ruste in vrede) gezien kunnen worden, zou kunnen bijdragen aan het opkrikken van de omzet. wij koesteren ons in de wetenschap dat, als het slechter gaat met bedrijven, de marketeers allereerst de straat onder hun derrieres zullen vinden.
DISCLAIMER - LEES DIT EERST.
HOOFDSTUK 1
De post brengt Sielke en Hietse in onrust, en hoe Gerrit sterke verhalen vertelt
Plotsklaps werd Sielke wakker, wat opmerkelijk mag worden genoemd omdat hij en zijn broer Hietse altijd heel erg vast sliepen. Maar nu hoorde Sielke duidelijk het geluid van klompen met ijzeren hakken op de stoep voor de werkplaats. Daarom ging Sielke op onderzoek naar de oorzaak van zijn ontwaken uit. Hij verliet behoedzaam het bed opdat Hietse niet wakker zou worden. Zijn sokken aantrekkend wreef Sielke zich in de ogen, en verliet de slaapkamer.
Beneden aan gekomen ontdekte onze vriend dat op de mat onder de brievenbus een envelop van omvangrijke grootte zichtbaar was. Zijn nieuwsgierigheid en tevens zijn angst werden gewekt.
Hij spoedde zich naar boven om Hietse te wekken, en in het onderzoek te betrekken. Maar reeds op de overloop kwamen de broers elkaar tegen. Beiden schrokken zich een hoedje, evenwel wisten zij beide de kalmte te bewaren, zodat vader en moeder Draadnagel niet werden gestoord in hun diepe slaap.
Getweeën slopen zij naar beneden en Sielke toonde de gevonden brief aan zijn broer.
Hietse kreeg het verhaal van de met ijzer beslagen klompen van zijn broer te horen, en dacht meteen aan de postbode Sjimmie Bannemo, die juist deze middag in de werkplaats bij vader was geweest voor enkele stukjes afval ijzer voor het herstellen van zijn klompen. De klompen waren dermate versleten, dat het voor een normaal mens niet meer mogelijk was zich normaal voort te bewegen, maar postbode Bannemo zei dat hij dermate aan de klompen was gehecht dat hij er geen afstand van wilde doen.
De enveloppe bleek door Sjimmie Bannemo door de brievenbus naar binnen te zijn gewerkt op dit zonderlinge tijdstip in de vroege nacht. De Hagedis-schippers bekeken met bijzonder veel aandacht het opschrift op de enveloppe. Zij ontdekten dat de brief afkomstig was van N. V. Rederij Met Volle Kracht Vooruit uit Landsstad. Sielke en Hietse konden maar niet bedenken wat voor een dringende zaak dit moest zijn dat de postbode 's nachts deze brief bij de werkplaats van de familie Draadnagel moest bezorgen. De broers besloten weer onder de wol te gaan, om daar na te denken over de inhoud van de enveloppe.
Evenwel sliepen de beide belhamels binnen enkele minuten weer als rozen, en toen zijn ontwaakten was het reeds enkele uren licht. Hietse spoedde zich om zijn broer wakker te maken, en weldra gingen zij gekleed in de schone overalls die moeder de vorige avond klaar had gelegd, naar de ontbijttafel.
"Kijk eens aan moeder, daar zijn onze langslapers ook al," zei vader Draadnagel, "schenk maar snel een groot glas melk voor hen in, opdat zij snel wakker zullen worden."
De beide broers waren evenwel al lang niet slaperig meer, want een goede was beurt bij de gootsteen deed hun goed. Tijdens het verorberen van de melk, en de door moeder klaargemaakte boterhammen, vertelden onze vrienden de geschiedenis van de postbode in de nacht. Vader vertelde dat hij de enveloppe reeds had gevonden, en meteen weer weg had gegooid, omdat hij verschoond wilde blijven van reclame materiaal, en de enveloppe zat vol met folders en meer van dat soort zaken van de onbekende rederij.
Sielke en Hietse keken elkaar aan, en vroegen zich zelf en vader af, waarom Sjimmie Bannemo nota bene midden in de nacht de enveloppe had bezorgd. De smid antwoordde dat alleen de postbode zelf daarop een antwoord zou kunnen geven. De jongens hoopten dan ook dat Sjimmie spoedig in de werkplaats zou komen, zodat deze vraag zou kunnen worden beantwoord.
Gerrit Zonderland naderde de werkplaats. Draadnagel zag hem door de ruiten in de erker in de voorgevel van het woon huis aankomen, en spoedde zich naar de werkplaats om de deuren voor Gerrit te openen.
"Ha, die Gerrit!" zei Draadnagel.
"Ha, die Draadnagel!" antwoordde Gerrit, die er blijk van gaf in een goede stemming te zijn, want hij had de eerste prijs in de loterij gewonnen. De ferme knecht van boer Jelsema begon in geuren en kleuren het verhaal van het nachtelijk bezorgen van een brief van de loterijmaatschappij door Sjimmie Bannemo te vertellen, toen ook onze vrienden in de werkplaats aankwamen. Allen waren verbaasd dat de postbode in het holst van de nacht de post had gebracht.
Sielke vroeg aan Gerrit, wat voor post hij had gekregen. Meteen
vertelde Gerrit dat hij de eerste prijs had gewonnen.
"Ik wist niet eens dat jij wel eens aan loterijen mee- deed," zei Hietse
vol verbazing.
"Maar natuurlijk wel," zei Gerrit vol overtuiging, "al sinds Bert Jagersma enkele jaren geleden ook meedeed aan een loterij en een boerderij met 92 bunder land en veel vee heeft gewonnen, doe ik ook mee. Met nu eindelijk eens een prijs. Bert had wel een veel grotere prijs, maar hij moest ook veel duurdere loten kopen, waardoor hij in de schulden kwam. Hij heeft zelfs zijn vrouw Johanna moeten verkopen om aan loten te komen. En dat is iets wat ik met mijn Louche niet wil doen."
Louche van Bil was de vrouw van Gerrit Zonderland. Onverwijld ging Gerrit verder met zijn sterke verhaal.
"Boer Jagersma heeft nu wel een grote boerderij, maar geen vrouw om hem te helpen. En dat breekt hem behoorlijk op. Hij wilde eens een paar koeien in ruilen voor een vrouw, maar deze willen nu niets meer van hem weten."
Hoofdschuddend lachte smid Draadnagel, en sloeg zich op zijn knieën.
Ook onze vrienden moesten lachen.
"Je hoofd staat in brand, van al die nonsens die je uitkraamt," zei Hietse, waarop Gerrit met een beduusd gezicht aan Draadnagel vroeg of Hietse altijd zo eigenwijs en een ongelovige Thomas was.Draadnagel vroeg Gerrit of er een reden van zijn binnen vallen in de werkplaats was, of dat hij alleen maar kwam om zijn geluk te berde te brengen. Inmiddels gingen Sielke en Hietse naar de Hagedis toe. De Hagedis was een verfoeilijk uitziende boot die vroeger dienst had gedaan als opduwer. Toen het schip was afgeschreven had Draadnagel de motor van de auto van de dokter in het schip gemonteerd, opdat zijn beide zonen eindelijk een door hen zo gewenste boot zouden krijgen.
Weldegelijk bleek Gerrit met een vraag te zijn gekomen. Gerrit had namelijk in de krant van deze morgen gelezen dat een rederij uit het zuiden van het land op zoek was naar hun oude opduwer. Draadnagel spoedde zich om Gerrit duidelijk te maken, dat Sielke en Hietse hiervan niets mochten horen.
Wat was nu het geval: in de grote envelop die door de gebroeders bij de deur was gevonden, zat een brief van de rederij die de Hagedis jaren geleden had gemaakt. De rederij bestond dit jaar honderdvijfentwintig jaar, en dat wilden zij vieren door een parade van alle schepen die ooit door de rederij waren gebruikt.
Draadnagel en zijn vrouw hadden de brief voor hun zonen stil gehouden, omdat een reis voor de jongens met de Hagedis naar Landsstad veel te ver zou zijn.
Gerrit vond het jammer dat hij er niets over mocht zeggen, maar toch beloofde hij de smid het niet te zullen doen. Wel vroeg hij Draadnagel nog, hoe de maatschappij aan de naam van de jongens was gekomen. Draadnagel moest het antwoord schuldig blijven.
Maar genoeg van dit niet de beide belhamels van de dorpssmid aangaande verhaal; terug naar de werkelijkheid, terug naar de Hagedis.
Hietse, altijd al de meest slimme en heldere helft van de tweeling geweest zijnde, bedacht dat zij moeilijk nu al konden vertrekken.
"Behoeven wij niet op onze vriend Coolio Happy te wachten?" vroeg hij vol overgave aan zijn broer.
"Ja, laten wij hem nog enig respijt gunnen. Mocht hij ons evenwel niet spoedig bereiken, dan zullen wij genoodzaakt zijn het ruime sop zonder hem te aanvaarden." En zo werd besloten.
Of het Coolio nog mocht lukken op tijd te komen, en de Hagedis weldra zou worden bevaren, blijft in dit hoofdstuk nog een vraag, maar spoedig zal een antwoord op deze vraag worden gegeven.
HOOFDSTUK 2
Case bakt een poets en de jongens maken kennis met de studentes
Inmiddels was de tweeling aangekomen in het boothuis en ze stapten in de Hagedis. "Drommels," zei Sielke ineens, "nu zouden we nog bijna vergeten die emmer met afval mee te nemen." "Wat bedoel je?" riep Hietse, die altijd gauw driftig werd, "jij bent het vergeten!". "Dat is me ook wat moois," zei Sielke, "mag ik daar weer voor zorgen." Maar zo goedig als Sielke van nature was, was hij nu ook weer en hij liep op een sukkeldraf naar de werkplaats om de emmer te halen.
Terwijl hij met de emmer terugliep naar de Hagedis, riep moeder Draadnagel Sielke na: "Hebben jullie wei een muts op jongens?" "Maar moeder, het is hart je zomer!?" (Het was namelijk juli.) "Dan hoeven we toch geen muts op," zei Sielke verwonderd. "Wat je wil, Sielke," zei moeder, "maar als jullie ziek worden, is het jullie eigen schuld." En hiermee was de kous af voor moeder Draadnagel. Op het moment dat onze beide belhamels wilden wegvaren kwam er een jongen aanhollen. Het was Coolio Happy, een vriend van de tweeling.Coolio zijn vader werkte op de meubelfabriek van Loots, waar Gerrit mede-eigenaar van was.
"Hé, kan ik ook nog mee!" riep Coolio reeds van verre. "Ja natuurlijk!" riepen Sielke en Hietse in koor. Coolio sprong aan
boord en nam plaats op het voorbankje. Zoals gewoonlijk zat Hietse aan het stuur en met een matig gangetje voer de Hagedis door de brug die toegang gaf tot het grote meer. De jongens groet ten de brugwachter die hun groet beantwoordde door zijn middelvinger op te steken. De brugwachter had namelijk eens zijn vingers tussen de brug gekregen en toen moesten vier vingers van zijn rechterhand worden geamputeerd.
"Wat moeten jullie met die emmer?" vroeg Coolio, wijzend op de ronde emmer. "Dat is chemisch afval," antwoordde Sielke, "dat moeten we even dumpen op het eiland." Vroeger was het eiland één van de mooiste recreatiegebieden van Friesland, maar enkele jaren geleden was het eiland aangewezen als stortplaats voor chemisch afval, ondanks krachtige protesten van de inwoners van Zomeren. Inmiddels voer de Hagedis langs de Boschimpansee, een grote molen aan het begin van de polder, en onze vrienden speurden naarstig of ze een glimp van hun vriend Case konden opvangen. Case zat altijd vol met de vreemdste ideeën en dat was nu ook weer het geval. Hij stond op de ornloop van de molen en had een groot laken bij zich. Het was Case zijn bedoeling Gerrit een poets te bakken door, als deze langs kwam fietsen, het laken over hem heen te gooien.
Zoals gewoonlijk kon deze grap niet goed aflopen. Er naderde een fietser de Boschimpansee en Case die niet zo'n goed zicht had op wat er onder hem gebeurde, wierp op goed geluk het laken naar beneden. De truc lukte echter wonderwel. De fietser werd geheel door het laken bedekt en schrok zo dat hij pardoes door de openstaande deur bij molenaar Greppelstra binnenreed om in de woonkamer tot stilstand te komen.
Molenaar Greppelstra, die binnen rustig thee zat te drinken, liet van schrik de kokend hete kop thee vallen over zijn overall. Greppelstra uitte een kreet van pijn en op het zelfde moment begon de fietser met barse stem te bulderen. "Drommels nog aan toe, ik sla die vlegel in de boeien!" Case kreeg de schrik van zijn leven toen hij die stem hoorde. Want in de plaats van Gerrit had hij dorpsveldwachter De Wit onder het laken gevangen.
Beteuterd keek Case naar zijn vrienden in de Hagedis, die het uitproestten van het lachen. Echter het werd tijd voor Case om te vluchten, want Greppelstra en De Wit kwamen dreigend naar buiten lopen.
"Daar zit hij!" riep De Wit, "sta of ik schiet!" Case bleef echter niet staan en liet zich vlug langs een touw naar beneden glijden en rende vervolgens naar de wachtende Hagedis. Terwijl Case aan boord sprong, vlogen hem de kogels om de oren, maar wonder boven wonder bleef hij ongedeerd. De Wit had inmiddels al zijn kruit verschoten en hij riep Case na: "Als ik je te pakken krijg, zal ik zorgen dat je een bekeuring van 25 gulden krijgt!"
Ook Greppelstra voegde aan deze woorden nog wat toe. Maar de Hagedis was inmiddels te ver van de kant verwijderd, om te horen wat De Wit en Greppelstra nog meer voor Case in petto hadden.
Nog slap van het lachen, voeren onze vrienden verder.
"Hoe kon je dat nu doen, Case," zei Coolio intussen de tranen uit zijn ogen wrijvend.
"Joh, ik dacht dat het Gerrit was," zei Case, "maar ik schrok me een hoedje toen ik merkte dat het De Wit was."
"Ik denk dat je vanavond geen eten krijgt van je vader," zei Hietse plagend. "Ach, jawel," zei Case, "dergelijke futiliteiten is vader al lang weer vergeten vanavond."
"Ik hoop het voor je," zei Sielke, want zonder eten was het ergste wat Case kon overkomen. Case was altijd liever lui dan moe, behalve als het op eten aan kwam, dan was hij een echte schrokop. Gerrit zei wei eens: "Het enige dat bij Case werkt is zijn mond en zijn maag."
Case keek ondertussen nieuwsgierig naar de emmer afval en vroeg wat
erin zat.
"Aardappels," fantaseerde Hietse, "die zijn voor boer Jelsema."
"Voor boer Jelsema?!" riep Case verbaasd, "maar die heeft zelf 100 hectare land met aardappels!"
"Jelsema heeft laatst ons tuinhek gelast," fantaseerde Sielke lustig verder, "dus nu krijgt hij als tegenprestatie van ons een emmer aardappels." Het leek Case, dat de verhoudingen enigszins scheef waren. Hietse zette koers naar het eiland en legde aan bij de steiger. Sielke en Coolio droegen de emmer naar de stortplaats en leegden hem. "Stelletje liegbeesten!" riep Case verontwaardigd, "om dit te verwerken heb ik eerst een ijsje nodig." Ook de andere belhamels hadden wel trek in een versnapering, dus kochten ze een ijsje bij de ijscokar, die bij de stortplaats stond. "Heb je het druk met verkopen?" vroeg Case aan de ijscoman. "Nee, jullie zijn de eerste klanten deze maand," zei de ijscoman, "ik vraag me af hoe dat komt, het is toch zulk mooi weer."
"Misschien is dit niet zo'n strategische plek om ijs te verkopen?" bedacht Lauw. "Maar de mensen die hier zo radio-actief bezig zijn met afval storten, hebben toch ook wel eens trek in een ijsje?" weerdiende de ijscoman Lauw van repliek. "Nou, ja. Marketing is ook niet mijn sterkste kant," bromde Coolio.
"Kom op, jongens, we gaan weer varen!" riep Hietse, die de conversatie begon te vervelen. En likkend aan hun ijsje namen de jongens afscheid van de ijscoman.
"Kijk daar eens Hietse, die mensen hebben hulp nodig," riep Sielke wijzend op een groot plezierjacht. Het plezierjacht had schijnbaar averij opgelopen en dreef stuurloos richting het kanaal. Vanuit het kanaal kwam net een mammoettanker aangevaren en een botsing leek onvermijdelijk.
Nu bleek weer eens dat de Hagedis tot de snelste boten van het meer behoorde. Werkelijk als een raceboot stoof de Hagedis naar de plaats van onheil.
"Stop!" riep Sielke, want Hietse voer pardoes het plezierjacht voorbij. Maar Hietse wist precies wat hij deed.
"Houd jij de autoband voor de boeg," bromde Hietse kortaf tegen Sielke. Ineens werd het Sielke duidelijk. Hietse wilde de mammoettanker wegduwen. Daar had de Hagedis de tanker al bereikt. De Hagedis duwde uit alle macht tegen de tanker en een fontein van water spoot onder de achtersteven vandaan. Langzaam maar zeker wisten de Hagedisschippers de tanker stil te leggen. Maar dit werd de kapitein van de tank er wel al te gortig.
"Wat verbeelden die kwajongens zich wel" riep de kapitein gebezigd en hij beval de stuurman: "Vol gas, we jagen die boeren naar de kelder!"
Maar dit karweitje was een kolfje naar de hand van de jongens en de Hagedis week dan ook geen enkele centimeter. Plotseling was daar de patrouilleboot van de waterpolitie en die maakte korte met ten met beide partijen. De brigadier gaf de kapitein van de tanker zo'n fikse uitbrander dat de olie in de brand vloog. De stuurman wist het binnenbrandje evenwel te blussen en met de staart tussen hun benen droop de tanker af.
Toen wendde de brigadier zich tot de jongens en sprak bars: "Ik zal het voor deze keer door de vingers zien, maar laat ik niet weer merken dat jullie zonder muts varen!"
"Ja, maar...," probeerde Sielke nog.
"Niks mee te maken, vlegels. Scheer je weg!" reageerde de brigadier bits. De jongens kozen eieren voor hun geld en ze poetsten de plaat.
Inmiddels wenkten de op varen den van de plezierboot de jongens. "Daar heen Hietse, misschien worden we wel getrakteerd op gebakjes," riep Case watertandend. Hierop barstte Coolio uit van het lachen.
"Ik heb nog nooit iemand watertandend horen roepen, maar Case presteert het weer ."
"En ik heb nog nooit iemand zien uitbarsten," kaatste Case de bal terug. Maar nu dwaalden de jongens af, dus zette Hietse weer koers naar het plezierjacht.
"Welaan, wat heb ik me jou daar!" riep Sielke.
"Neem dit eens in ogenschouw, een boot vol met personen behorende tot het vrouwelijk geslacht." Van weeromstuit begon Sielke er deftig van te praten.
Het bleek dat het plezierjacht op weg was naar de Trudyhoeve, een verbouwde boerderij waar '5 zomers studenten in kampeerden. Deze zomer waren dit een dertigtal studentes HBO-V.
De jongens werden warm onthaald door de aanstaande verpleegsters en Case vroeg begerig: "Hebben jullie ook gebakjes?" Toevalligerwijze hadden
de dames juist een doos gebak gehaald bij bakker Van der Meer, dus dat trof. De jongens verorberden het ene gebakje na het andere en vooral Case liet zich niet onbetuigd. Hij wist zelfs nog stiekem een gebakje van Coolio op te eten, zonder dat deze hiervan in het gewisse kwam.
De jongens praten nog enige tijd gezellig met de studentes en toen was het tijd om afscheid te nemen. "Mag ik nog een gebakje mee voor de hond?" probeerde Case nog.
Maar de studentes vonden het welletjes.
"Komen jullie nog eens gauw terug," riepen de studentes de jongens
na. En met de belofte dit te doen, voeren de jongens huiswaarts.
Vanzelfsprekend was natuurlijk dat Case ziek werd en de inhoud van zijn maag bij Coolio op zijn kleren deponeerde.
Bij het zien van de half verteerde gebakjes reageerde Coolio verbaasd: "He, dat was mijn gebakje." En met smaak begon Coolio de etensresten op te peuzelen.
De moraal van dit hoofdstuk is dan ook: gestolen goed gedijt niet (zieke Case) en ga nooit zonder muts uit varen.
HOOFDSTUK 6 1/4
Standje 69 en de diagnose van een allochtone dokter.
Toen Sielke en Hietse het avondmaal hadden verorberd, kreeg Sielke een idee.
"Laten we alvast wat gaan oefenen voor het katknuppelkampioenschap dat morgenavond zal plaatsvinden op het dorps- plein," opperde Sielke.
"Good thinking Hylke," viel Hietse hem bij, waarbij moet worden opgemerkt dat Sielkes naam in het Engels werd uitgesproken.
Moeder Draadnagel werd daarop aan het afwassen gezet en de jongens verlieten dartel het ouderlijk huis. Eenmaal buitengekomen bemerkte Hietse iets aparts, "hé Sielke, kijk daar de wieken van de Boschimpansee draaien niet." Dit was op zich niet zo opmerkelijk, ware het niet dat de weerman van Omroep Friesland windkracht 8 had voorspeld.
"Sapperdeflap, je hebt gelijk," antwoordde Sielke opgewonden, "ze staan niet zomaar stil, dat moet Case hebben gedaan!" En dat klopte.
Omdat de vrienden elkaar altijd bijstand wilden kunnen verlenen, hadden ze voor tijden van nood (ook wel slechte tijden genaamd) bepaalde alarmsymbolen afgesproken. Sielke en Hietse konden daartoe gebruik maken van een communicatiemiddel waarover de Indianen reeds beschikten, het rookwolkenschrift. De smidse was daarvoor uiteraard volledig geoutilleerd.
Case daarenboven had de beschikking over een molen waarbij de wieken in een aantal standen konden worden gezet. Met betrekking tot het wiekenschrift hadden de jongens 69 wiekenstandjes afgesproken waarbij standje één sloeg op alarmfase 1.
Alarmfase 1 was een zeer lichte stand waarbij geen direct levens gevaar dreigde. Standje 69 lag heel wat moeilijker: deze stond namelijk voor de alarmfase 69, welke ten tij de van kernrampen en andere levensbedreigende situaties kon worden gebruikt. Maar nu genoeg theorie. Terug naar de praktijk.
"Het is standje 69," kermde Hietse het uit, "kijk maar goed naar de stand van de wieken, Sielke," ging hij verder.
"Ja, je hebt gelijk," beaamde de onwetende Sielke, er vanuit gaande dat het studiehoofd Hietse de 69 mogelijke standjes van de wieken uit het blote hoofd had geleerd.
"Laten we zo gauw mogelijk met de Hagedis naar de Boschimpansee varen," opperde Hietse, tegelijkertijd de daad bij woord voegend.
Pas toen Sielke ook de daad bij Hietses woord had gevoegd, startte Hietse de Hagedis en scheurde weg met een oneindige snelheid, daarbij uitgaande van de natuurkundige wet, waarin wordt gesteld dat in een open systeem bij een oneindige snelheid de kans op een botsing met een ander object (lees: ander schip) vrijwel nihil is, dit in tegenstelling tot het biljartspel waar de kans op een botsing (lees: carambole) bij een oneindige
snelheid van de afspeelbal nagenoeg 100 procent is. Terwijl de gebroeders vliegensvlug onderweg zijn naar Case in de Boschimpansee, zal de schrijver in de ledige tijd alvast enige uitleg geven omtrent de oorzaak van het standje 69 (alarmfase 69) van de wieken van de Boschimpansee.
Hoewel het er alle schijn van vertoonde, dat Case' plotseling ontstane onwelzijn in het vorige hoofdstuk met een sisser zou aflopen, heeft het lot een iets andere afloop in gedachten. Het blijkt namelijk zo te zijn dat juist het gebakje dat Case van Coolio had gestolen en dientengevolge ook maar had
opgegeten, (wat moet je anders met een gestolen gebakje, In je broekzak stoppen levert immers rare vlekken die wel eens verkeerd geïnterpreteerd zouden kunnen worden}, vol zat met sporenelementen van het wasmiddel Persil Groen (van die luchtballon). Die Groene Persil is abusievelijk in het ene gebakje geslopen tijdens het produktieproces van de plaatselijke bakker. Het blijkt dat het logistieke proces binnen het plaatselijke-bakker-gebeuren is opgezet door de beruchte Pete, Pol & Purk-groep. Hierbij had men geen rekening gehouden met het feit dat door een fout in het aankoopsysteemprogramma (hoe Is het mogelijk?!) eens in de 100 jaar 1 procent Groene Persil werd aangekocht via de consumentenmarkt op de hoek. Die ene procent was nu klaarblijkelijk in dat ene taart je terecht gekomen. Omdat een verdere uitvoerige bedrijfsinformatorische toelichting buiten het kader van deze Hagedis valt, wordt hier niet verder ingegaan op de specifieke aspecten van dit dilemma. Wel dient te worden vermeld dat de vernieuwde Groene Persil meer wasactieve stoffen bevat en dat de daarmee samenhangende laxerende werking nu nog groter is geworden. Voorts mag als bekend worden geacht dat de wasactieve stoffen direct door het lichaam worden opgenomen en dat daardoor eventuele uitgebraakte taartresten verschoond zijn van die stoffen. Er kan dus gesteld worden dat Coolio geen hinder zal ondervinden van het consumeren van het door Case uitgebraakte taart je. Deze bondige toelichting wordt nu afgebroken voor een rechtstreeks verslag van de toenmalige situatie.
Zodra de Hagedis aan wal lag, riep Case vanuit het dakraam (daarmee implicerend dat een raam in een molen een dakraam mag worden genoemd): "Ik heb zo'n last van mien bulg!" Waarop Hietse meende te moeten repliceren, "zullen we je maar even naar dokter Feces varen?"
Dokter Feces was een wegens de onrusten in Joegoslavië uit Joegoslavië gevluchte alternatieve geneesheer die wel vaker met het diareebijltje had gekakt (red.: gehakt). Naar het schijnt bestaat het Joegoslavisch eten voor 90 procent uit vis die op haar beurt weer voor 90 procent met het door Italië in de Adriatische Zee gedumpte fosfaat is vervuild. Maar dit terzijde.
"Okay, ik kom er aan!" riep Case ten overvloede, omdat de door hem verspreide rottingslucht geen verder commentaar omtrent zijn verblijfplaats behoefde.
Hietse startte de Hagedis en beval Case: "Hier bind je vast aan dit touw, dan slepen we je wel even naar Feces, hiermede bewerkstelligend dat jouw geur ten dele door het water zal worden geabsorbeerd!" (Ja lezers, Hietse is een man van weinig woorden).
Case, die zich in een situatie bevond waarbij de sluitspier weinig weerstand bood, besloot zelf ook maar geen weerstand te bieden, en zou zich met behulp van de Hagedis en het 10 meter lange stuk touw door het water laten voort trekken.
De reis naar dokter Feces werd dan ook weldra aanvaard. Na verloop van tijd verscheen het huis van dokter Feces.
"Stop daar maar voor het huis van dokter Feces!" schreeuwde Sielke luid maar beheerst. Hietse versuft door de kwalijk riekende geur van Case schrok wakker en trapte zo hard mogelijk op de rem. Bij elke andere boot zou de rempedaal dwars door de bodem zijn gegaan, maar de Hagedis is niet elke andere boot.
Door dit abrupte remmen werd Case, die op 10 meter de Hagedis in het water volgde, als een vis uit het water getrokken. Wonder boven wonder belandde hij na een kort verblijf in de lucht precies via het open staande raam van dokter Feces' spreekkamer in diezelfde spreekkamer. Dokter Feces beschouwde de uit de hemel vallende Case als een geschenk uit de hemel. De dokter had het namelijk de laatste tijd niet zo druk omdat ene mevrouw Simonis allerlei wilde geruchten over zijn sex-maniak-zijn de wereld in had gestrooid. In hoeverre deze geruchten met de waarheid Korresponderen vertelt het verhaal echter niet.
Na een kort onderzoek had de Joegoslavische dokter de diagnose reeds gesteld, "Kies ie hebt enige darmproblemen." Deze juiste diagnose wilde echter nog niet zeggen dat dokter Feces een zeer bekwaam dokter moest zijn. Immers bij zo'n stankoverlast zou iedere randdebiei dezelfde diagnose kunnen stellen. Dokter Feces gaf vervolgens Case een recept en reke- ning mee. De laatste werd door Case echter direct gebruikt om zich zeif een beetje te verschonen en dan met name een niet nader te specificeren deel, dat zich aan de achterkant van zijn lichaam bevond.
"Alles in aln natte kier opfreten Kies, dan is het morgen gans wier over," zei dokter Feces, en daaraan toevoegend, "miskien moest vonabond nog wat scheiteren maar dan neemst de huuske-ton maar met naar bet!"
"Gruus got," repliceerde Case daarmee aantonend dat hij ook een woordje buiten de grenzen sprak.
Eenmaal buitengekomen bij de wachtende broers Sielke en Hietse begon Case het recept luidop voor te lezen.
"Twee rollen beschuit van Van der Meulen (van Friese makelij), 2 liter lauwe thee en 10 meter magazijnstellingen, maar ik moet het wel snel hebben!"
Sielke en Hietse waren verstandig genoeg om niet om een verdere specificatie van het laatste item te verzoeken. Dit zou alleen maar leiden tot het zeer harde schreeuwen door Case van de volgende frase: "TUUT, TUUT, ..., DAT IS SNEL, ..., ...MET LIJKT OVERTOOM WEL !"
Dit was namelijk één van Case' favoriete grappen tot groot onbegrip van Sielke en Hietse.
Omdat Case dacht dat de niet-reagerende jongens zijn grap niet hadden begrepen, werd hij met stomheid geslagen, hetgeen hem tot wankelen bracht en hem met enig geluk pardoes in de Hagedis deed belanden. Dit was voor Hietse en Sielke het teken om het voorbeeld te volgen en maar op huis aan te gaan.
Onderweg stopten ze nog bij de kruidenier om de op het recept yan de dokter vermelde artikelen aan te schaffen.
Aangezien het geen koop avond was en de winkel dientengevolge gesloten was, besloten ze om maar proletarisch te gaan winkelen, hetgeen als bijkomend voordeel had dat je niet zo op de prijzen hoefde te letten. Het recept bleek echter verdwenen te zijn en Case niet meer aanspreekbaar. Gelukkig hadden de broers een goed geheugen en namen ze de beschuitrollen + lauwe thee mee. Omdat ze toch nog twijfelden of die 10 meter magazijnstellingen daadwerkelijk een grap van Case was geweest, namen ze voor de zekerheid ook maar de 10 meter magazijnstellingen mee. Case werd weer aan de Hagedis vastgebonden en aan Case werden de 10 meter magazijnstellingen bevestigd, hetgeen resulteerde in een bonte op tocht richting Boschimpansee.
Gelukkig bemerkte niemand in de Boschimpansee dat Case werd thuis gebracht, zodat ze ook niets hoefden uit te leggen met betrekking tot die 2 rollen beschuit. Eenmaal thuis gekomen gingen Sielke en Hietse als een speer naar bed hopende op een goede nachtrust. Zou dit ijdele hoop zijn, ...?
HOOFDSTUK 3
Op de Trudyhoeve
Die nacht werd er onrustig geslapen in huize Draadnagel. Sielke en Hietse lagen de hele nacht te woelen om al het gebeurde van die enerverende dag te verwerken. Dat ze die mammoettanker hadden kunnen stoppen en al dat gedoe met Case deed ze echter niets, maar al die vrouwen aan boord van dat plezierjacht hield de gemoederen danig bezig.
Voor het eerst in het leven van onze tweeling van respectievelijk 18 en 19 jaar oud (Hietse was in de nieuwjaarsnacht om 5 over 12 geboren en Sielke in de oudejaarsnacht om 5 voor 12, zodat hier rustig gesproken kan worden van een zware bevalling) werd er niet over de Hagedis maar over vrouwen gedroomd. Het spreekt dan ook voor de hand dat ze zich bij het wakker worden wat stijfjes voelden.
Ook Case maakte een woelige nacht door, hij had de hele nacht op de pot zitten kronkelen en liep elke vijf minuten van onderen en boven helemaal leeg.
Na het ontbijt gingen Sielke en Hietse naar de werkplaats, alwaar smid Draadnagel al druk bezig was met het ontcijferen van de beursberichten. Sielke zocht en vond een oude binnenband van een fiets. Die band hadden zij nodig omdat ze niet het dorp in durfden om condooms te kopen bij drogist Herpes. Drogist Herpes was een goede vriend van de familie en hij was nogal iemand die allerlei verhalen rondstrooide. Naar de fietsenwinkel van Joop Zoetemelk hoefden ze ook niet te gaan, want deze was net failliet gegaan.
Hietse was het handigst van de twee en sneed de band secuur in stukken. Echter, Hietse had in alle bescheidenheid die de Friezen zo siert steeds te kleine stukken afgesneden zodat alleen het deel met het ventiel groot genoeg was. Hietse was zich maar al te zeer bewust van zijn schuld en bood Sielke royaal de band aan. Sielke wist echter niet dat Hietse voor
zichzelf een veel slimmer plan bedacht had en terwijl Sielke de band controleerde op gaatjes, slipte Hietse de werkplaats uit. Sielke ging zo precies mogelijk te werk, want hij wilde niet in een zelfde situatie terecht komen als waarin Gerrit destijds verzei1d was geraakt.
Gerrit was jaren geleden een keer onvoorzichtig geweest toen hij met Louche van Bij op de hooizolder van boer De Boer bezig was. Gerrit moest na dit ongelukje met Louche trouwen en het huwelijk, dat voor de buitenwereld zo geslaagd leek, gaf niets anders dan ellende voor Gerrit.
Sielke controleerde vooral het ventiel goed omdat dit bij alle banden vaak een zwak punt blijkt te zijn en hij vernieuwde voor alle zekerheid het ventielslangetje en draalde er een nieuw dopje op. Als laatste smolt hij de top dicht in het vuur en controleerde de las door het condoom met water te vullen. De las was feilloos gelukt. Zo dit kon onmogelijk verkeerd gaan vanavond.
Hietse was ondertussen naar de slaapkamer van vader en moeder Draadnagel gegaan en had daar een van zijn moeders pillen ingenomen die op de wastafel lagen. Hietse had in een oplettende bui eens bij biologie gehoord dat je door het innemen van een pil niet zwanger kon raken en dit leek onze Hietse wel wat, want ook hij kende het verhaal van Gerrit en Louche. Hoe dikwijls waren Sielke en hij 's nachts niet langs het huis van Gerrit en Louche gekomen en hadden zij daar een stuk kabaal van heb ik jou daar gehoord.
Toen Hietse weer in de werkplaats kwam, was Sielke net klaar met zijn kunstwerk en kon het feest beginnen. Moeder Draadnagel kwam de werkplaats binnen om de mannen te roepen voor het middageten. Ze riep: "Jongens, aan tafel het eten is klaar en ik heb lekkere eieren gebakken!"
"Die eieren zullen goed van pas komen," dachten Sielke en Hietse in koor. Na het middageten had vader Draadnagel nog een klusje voor de jongens waarmee ze verder de hele middag zoet waren. Het avondeten bestond uit gebakken aardappels met patatten en aardappelpuree, het lievelingskostje van de jongens. Als toetje kregen ze, om toch een beetje op de ingeslagen weg te blijven, een sinaasappel. Na het eten gingen Sielke en Hietse naar boven om een schone overall aan te trekken, want ze moesten eerst nog een uurtje katknuppelen op het dorpsplein.
Tijdens het katknuppelen kwamen ze Case tegen die er niet zo goed uitzag, maar desondanks had Case wel zin om later mee te gaan naar de Trudyhoeve. Ook Gerrit, die het relaas en de plan hen had gehoord, had er wel oren naar. Om klokslag 8 uur was het katknuppelen afgelopen en om 10 over 8 werden de winnaars gehuldigd en hierna kon het viertal op weg naar de Trudyhoeve. De Trudyhoeve lag een behoorlijk eind het kanaal op en daarom werd besloten om eerst de Hagedis te halen en daarna naar de hoeve te varen. Toen Hietse de Hagedis wilde starten bleek dat de motor niet aansloeg. Dit probleem werd adequaat opgelost doordat Sielke, Case en Gerrit met vereende krachten de boot aanduwden. Toen de motor aansloeg bleek dat Hietse het gaspedaal net iets veel te ver ingedrukt had en dit resulteerde in een kletsnatte Sielke, een zeiknatte Case (Case had het namelijk van schrik in zijn broek gedaan, hoewel hij beweerde dat het kwam door zijn nog niet optimale gezondheid) en een drijfnatte Gerrit (door het water was zijn overall nat geworden en hierdoor kon hij blijven drijven op de opgesloten lucht).
Gerrit schold Hietse verrot en dit kwam de toch al slechte adem van Hietse niet ten goede, maar aan de andere kant was het ook wel te begrijpen dat Gerrit zo uit zijn slof schoot.
Gerrit bleek het vooral op dit terrein niet goed getroffen met Louche; ze mocht er dan wel goed uitzien maar o wee als ze heupen had, dan kon je maar beter een heel eind uit haar buurt je maar een beetje gedeisd houden door bijvoorbeeld niet met overall thuis te komen.
De blijde verwachtingen die van individu tot individu verschilden over wat er zou gebeuren op de Trudyhoeve deed het akkefietje snel vergeten. De Hagedis voer op top snelheid over het meer en was binnen de kortste keren aangekomen bij de aanlegsteiger van de Trudyhoeve. Je kon het gejoel van die HBO-V'sters al van verre horen en dit beloofde veel goeds.
Toen Case de deur open deed, bleek dat de stemming er al goed inzat. Alle vrouwen hadden hun verpleegstersuniform al aan en waren druk bezig er een bonte avond van te maken. Het bleek namelijk dat het alleen maar eerstejaars waren, die op een kennismakingsreisje waren, en hier alvast wat oefenden op het geven van injecties wat, gelet op de vele blauwe plekken, niet erg lukte. Gerrit, Sielke, Case en Hietse werden meteen herkend en gelijk opgenomen in de groep. Sielke en Hietse richtten zich vooral op het vrouwelijk schoon, terwijl Case de tafel met gebakjes opzocht en Gerrit zich liet aansluiten op de tap.
Iedereen vermaakte zich opperbest en vooral Sielke had veel succes met zijn ventiel. Ook Hietse liet zich van zijn beste kant zien en het bleek al gauw dat hij een natuurtalent was.
Terwijl Sielke en Hietse bezig waren met de verboden vruchten, welke ze bij nader inzien toch lekkerder vonden dan het Turks Fruit dat moeder Draadnagel tijdens het kerstmaal altijd op tafel zette, was Gerrit aardig op weg om flink bezopen te raken.
Na een paar uur kwam Gerrit pas goed los en terwijl de HBO-V'sters en Hietse en Sielke op hun laatste benen liepen, liep Gerrit naar de tafel met gebakjes. Case was al die tijd niet bij de tafel weg geweest en had al een aardig gat geslagen in de voorraad van ingeslagen gebakjes. Gerrit die door al de drank niet meer zo helder zag, zag Case bij die tafel staan. Gerrit dacht: "Wat een lekker ding staat daar bij de tafel en ze is zo te zien nog niet aan de beurt geweest."
Gerrit dacht verder: "Praatjes vullen geen gaatjes," en hij ondernam gelijk actie.
De pijnkreet van Case die hij bij de grove schending van het menselijk lichaam (Grondwet art. 11: Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.) slaakte, deed de toch al niet geringe stilte in de Trudyhoeve verstommen. Voor Case ging er een nieuwe wereld open en hij liet resoluut de gebakjes links liggen en stapte alras over op de blokjes kaas die rechts op de tafel lagen. Kollummer. Die HBO-V'sters wisten wel wat lekker was.
Zo tegen vieren keek Sielke op zijn horloge en zag dat het al tegen vieren liep. "Het is al laat," dacht Sielke, "en over een paar uur zouden we met boer De Boer naar de veemarkt in Leeuwarden gaan," dacht hij er gelijk achteraan.
Sielke riep Hietse, Gerrit en Case. Gerrit en Case waren snel bereid om te Ver- trekken alleen met Hietse duurde het wat langer omdat hij nog niet klaar was. Na een minuut of wat was het viertal compleet en namen ze afscheid van de HBO-V'sters en bedankten hen voor hun wel erg ver gaande gastvrijheid. Toen ze naar de boot liepen bleek dat Sielke en Hietse niet al te vast meer op de benen stonden en ook Gerrit kon zich met moeite staande hou- den.
Dat Gerrit wat moeite had met lopen dat verbaasde niemand meer. Sinds hij met Louche getrouwd was werd het drankgebruik van onze stoere boerenzoon alom geroemd. Case ging zo te zien ergens onder gebukt en na deze avond zou dat nog veel vaker voorkomen.
Gerrit zou netjes thuis afgeleverd worden, hoewel thuis, bij aankomst bij huize Zonderland bleek al gauw dat niet alleen het compleet los zijn van Gerrit er de oorzaak van was dat hij de sleutel niet in het slot kon steken. Louche hoorde vanuit haar slaapkamer dat er iets loos was en opende het raam en schreeuwde fluisterend: "Gerrit, je bent hier verkeerd! Dit is huize Zonderland niet meer; het is nu huize Van Bil en dit wordt ook de bedrijfsnaam."
Hier stonden de jongens en Gerrit wel even van te kijken. Van deze donderpreek waar zelfs dominee Achmed voor onder moest doen, werd Gerrit op slag weer nuchter en Gerrit vond dat hij zich nu niet druk kon maken over die pokketrien. Gerrit zocht een behaaglijk plekje in de winderige portiek en viel als een blok in slaap.
Case werd normaal afgeleverd bij de Boschimpansee. De Boschimpansee is de molen waarin molenaarsfamilie Greppelstra haar intrek genomen heeft en waarvan Case een adoptiekind is, hoewel Case dit zelf nog niet weet. Case sloop stilletjes het huis binnen en kon verder ongemerkt en dus zonder problemen zijn bed bereiken en ook hij viel daar als een blok in slaap.
Sielke en Hietse besloten nog een rondje rond het meer te varen om nog wat frisse wind door de haren te krijgen. Na deze verfrissende ronde werd de koers op huis aan ingezet. Vlak bij huis werd de motor uitgeschakeld om maar vooral niemand wakker te maken en dan vooral de nogal vast
slapende vader Draadnagel niet. Als ze vader Draadnagel zo midden in de nacht wakker zouden maken nou, dan zwaaide er wat. Ze zeggen in het dorp weleens dat hij handen heeft als kolenschoppen, maar in het echt zijn ze nog groter en komen ze minstens twee keer zo hard aan.
Niemand hoorde hoe Sielke en Hietse de boot aanlegden en hoe ze naar de deur slopen. Sielke had wat moeite om de deur van de smidse open te krijgen en maakte nogal wat herrie, waardoor moeder Draadnagel wakker werd. In plaats van haar man wakker te maken (die klappen van hem had ze zelf vaak genoeg gevoeld en gunde dat zelfs haar ergste vijanden niet; ze had er nogal veel, want ze was in de oorlog goed fout geweest) belde ze de politie.
Veldwachter De Wit was snel ter plaatste, want hij had sinds kort een autotelefoon op zijn fiets. Hij zag bij de werkplaats dat twee boeven aan de deur stonden te morrelen. Veldwachter De Wit pakte zijn pistool en riep: "Ik schiet!" Direct haalde De Wit de trekker over, want je wist het maar nooit met dat gespuis uit de grote stad. Een droge klik doorboorde de nachtelijke stilte.
"Shit," dacht De Wit, "ik ben vergeten mijn pistool te herladen na die wilde schietpartij van gisteren."
Sielke en Hietse riepen naar De Wit dat zij het waren. Toen De Wit doorhad dat het Sielke en Hietse waren die daar aan de deur stonden te morrelen hielp hij hen met de deur en schopte ze de smidse in.
Ondertussen was ook vader Draadnagel wakker geworden en De Wit kon nog net horen hoe de jongens gebrandmerkt werden door hun vader. Na dit hete avontuur doken Sielke en Hietse het bed in en verheugden zich op de dingen die nog zouden komen.
HOOFDSTUK 4
Met Boer De Boer naar de veemarkt en hoe Gerrit een koe vooruit drukt.
Sielke en Hietse konden maar niet in slaap komen, na al die verwikkelingen op de Trudyhoeve. Vooral Sielke lag te woelen in bed. Opeens hoorde Hietse een gesmoorde kreet uit Sielkes richting komen.
"Wat is er nou weer?!" vroeg Hietse. Hij knipte het licht op en zag Sielke onder de dekens kijken.
"Ik dacht dat je na vanavond wel wist dat je een jongetje was!" schertste Hietse.
Sielke keek verwoestend naar Hietse en sloeg toen de dekens op. Toen zag Hietse waar Sielke zich zo over opgewonden had. Op de plaats waar zich normaal het bewijs van Sielkes mannelijkheid bevond, hing een de Wit stukje rubber, met halverwege een metalen buisje.
Sielke pakte het stukje rubber vast om het eraf te trekken, maar zelfs toen Hietse meehielp, wilde het rubber niet loslaten. Al snel had Hietse door wat er aan de hand was. De binnenband was van een soort rubber gemaakt dat krimpt als het verwarmd wordt.
En ja, bij wrijving komt warmte vrij, en daaraan was geen gebrek geweest.
Terwijl onze helden diep nadachten over de oplossing van dit nijpende probleem, hoorden ze klompen op de stoep voor de werkplaats .
De jongens keken elkaar aan en zeiden tegelijkertijd: "Boer De Boer!" Immers, boer De Boer zou hen op komen halen voor de veemarkt in Leeuwarden.
Zonder zich verder nog druk te maken om het stukje binnenband, trokken de Hagedisschippers hun kleren aan. Even later zaten ze bij boer De Boer in zijn Trabant. Al pruttelend reden de jongens en boer De Boer naar Leeuwarden.
In Leeuwarden spraken ze met boer De Boer af, dat ze om tien uur weer bij de Trabant zouden zijn.
"Ik moet even wat zaakjes op de Weaze afhandelen. En daar kan ik
jullie niet bij gebruiken."
De jongens knikten braaf en ze gingen ieder huns weegs.
Wat was er veel te zien op de veemarkt zeg. Overal liepen boeren met
dikke beurzen op zak, en zelfs zagen de jongens een keer dat een boer wel tien briefjes van duizend gulden aan een andere boer gaf! Tjonge, tjonge wat waren die boeren rijk. De jongens wisten nu wel wat ze later wilden worden. Rijk.
Zo tegen half tien was de veemarkt afgelopen en liepen de beide belhamels naar het café, dat strategisch bij de markthal geplaatst was. Daar zagen ze boer De Boer ook al aankomen.
"Goede zaken gedaan, boer?" vroeg Sielke belangstellend, aan de boer die ietwat krom liep.
"Zeker, zeker...," mompelde boer De Boer.
"Wat loopt u krom?" vroeg Hietse.
"Ik heb spit gekregen," antwoordde De Boer.
"Tja, die koeien van tegenwoordig zijn niet meer te tillen," merkte Sielke bijdehand op.
Maar om de een of andere reden kon boer De Boer die grap niet zo waarderen. Misschien kwam het wel omdat hij een ongetrouwde vrijgezel was. Sommige mensen in het dorp beweerden dat hij wel eens naar de hoeren ging, maar dat konden de jongens niet geloven. Zo'n aardige man! Nee, dat kon niet.
Het liep al tegen elven toen de Hagedisschippers weer de smidse binnenstapten. Vader was druk bezig moeder te beslaan, want goeie schoenen zijn niet meer te betalen vandaag de dag. Nee, dan een paar hoefijzers! Die hoef je ook nooit te poetsen.
"Case staat op jullie te wachten," zei moeder Draadnagel.
De jongens liepen snel de kamer in, en zagen daar Case staan. Onze beide helden gingen zitten.
"Ga zitten, Case," zei Sielke goedbedoeld. Case trok een benauwd gezicht.
"Ik eh, ik sta liever. Ik zit al de hele dag."
"Hebben jullie Gerrit gezien?" veranderde Case snel van onderwerp. Sielke en Hietse keken elkaar aan en haalden hun schouders op.
"Nee, hoezo?" vroeg Hietse.
Het bleek dat Louche bij Case' vader aan de deur geweest was, omdat Gerrit de hele nacht niet thuis geweest was.
"Maar ze had hem er toch uitgeschopt?" merkte Sielke op.
"Dat dacht ik ook," zei Case, terwijl hij per ongeluk ging zitten. Nog
nooit hadden Sielke en Hietse iemand zo snel weer op zien staan. Ze keken elkaar aan en haalden hun schouders op.
"Laten we Gerrit gaan zoeken," zei Case tegen de jongens.
Dat was niet tegen dovemansoren gezegd. Dat was maar goed ook, want dan hadden de jongens het vast niet gehoord. Voordat ze het wisten zaten ze (op Case na, die stond) in de Hagedis. Eerst gingen ze naar de boerderij van boer Jelsema. Misschien wist die waar Gerrit uithing. De jongens klopten aan.
De deur werd opengedaan, maar er was niemand thuis.
"Laat ons eens in de schuur kijken," opperde Hietse.
Gedrieën liepen ze naar de schuur. Toen Sielke de deur open wilde doen, hoorden ze een vreemd geluid.
"Het lijkt wel een koe die haar hoogtepunt bereikt," grapte Sielke. Voorzichtig deden ze de deur op een kier. Daar zagen ze de verloren zoon. Maar wat deed hij daar? Het leek wel of hij met zijn onderlijf een koe vooruit probeerde te duwen. Maar waarom had hij dan zijn broek op zijn enkels, en stond hij op een melkerskrukje? Opeens gaf de koe haar verzet op en liep vooruit. Gerrit en het eenpotige melkerskrukje waren niet voorbereid op zulk een eigenzinnig gedrag. Gerrit viel voorover en landde zacht: met zijn gezicht in de dampende vlaai die de koe tijdens het weglopen had laten vallen. Buiten proestten de drie jongens het uit van het lachen.
Toen Gerrit naar buiten kwam, met de klodders bruin nog op zijn gezicht, vielen ze helemaal om van het lachen. Gerrit knoopte zijn broek dicht en liep woest weg. Hij ging naar het kanaal en waste zijn gezicht. De
jongens waren achter hem aangegaan. Nog een beetje naglimlachend, zei Case: "Louche zocht om je."
"Wat moet die huppelk..!" reageerde Gerrit.
"Nou, nou, nou. Moet het nu zo mal!" meesmuilde Sielke.
"Denk eens aan de lezertjes!"
"Ja, maar ze belazert me!" kaatste Gerrit. "Dat is geen reden om zulke liederlijke taal over onschuldige kindertjes uit te storten, meneer Zonderland!" deed Case er een schepje bovenop.
"Ik zal haar wel krijgen!" mompelde Gerrit, en beende met grote stappen weg.
"Zo! Dat is ook weer opgelost," verzuchtte Hietse.
Plots schoot het door Sielkes hoofd dat het stuk binnen band nog om zijn jongeheer zat.
"De binnenband zit nog om mijn jongeheer!" riep Sielke dan ook uit.
Case proestte het alweer uit.
"Lach niet, vlegel!" beschermde Hietse zijn broer.
Case kreeg het probleem onder ogen en zei dat hij er onder het genot
van een gebakje vast wel een oplossing voor zou kunnen vinden. Maar dit idee werd, Case incluis, de grond ingeboord door een lichtelijk aangebrande Sielke.
Ondertussen had Hietse iets bedacht. Hij vertelde de beide jongens de oplossing. Hoe langer Hietse aan het woord was, hoe witter Sielkes gezicht werd, en hoe enthousiaster Case werd.
Sielke was er niet helemaal van overtuigd, maar de beide jongens wisten zeker dat dit de enige manier was om de als condoom vermomde binnenband uit zijn beknellende positie te halen. Case liep de schuur in en kwam terug met een stevig stuk touw.
Dat werd stevig bevestigd aan het ventiel van de binnenband en toen ging Hietse de Hagedis halen. Hietses gedachtengang was vrij eenvoudig: als je met de Hagedis een mammoettanker weg kunt duwen, dan kun je zeker een stukje binnenband lostrekken, zo vast kan dat niet zitten. En dus werd het andere uiteinde van het touw aan de Hagedis vastgemaakt. Terwijl Sielke zich vasthield aan een dikke boom, voer de Hagedis langzaam weg.
"Ik hoop maar dat het touw het houdt," zei Hietse. Sielke had niet zozeer bedenkingen over de sterkte van het touw, alswel over de rekbaarheid van een bepaald onderdeel van zijn lichaam.
"Misschien is het het beste als we een stevige ruk aan het touw geven," zei Case. En Hietse gaf meteen een dot gas, zodat Case op zijn ietwat pijnlijke achterste terechtkwam.
Met een vaartje van zo'n zeventig á tachtig kilometer per uur sneed de Hagedis door het water. De klos touw wikkelde steeds verder af. Hoe verder het touw afwikkelde, des te stijver kneep Sielke zijn ogen dicht.
Op het moment dat het touw strak wilde gaan staan, en Sielke zijn iaatste schietgebed naar boven zond, viel het surrogaatcondoom op de grond. De spanning was Sielkes blaas teveel geworden, en liep leeg. Door de waterdruk die toen ontstond, werd het condoom afgeschoten. Sielke slaakte een zucht van opluchting.
Hietse en Case kwamen snel weer teruggevaren en ze pikten Sielke op, die zijn broek ophees en de gulp iets te snel dichtritste.
Sielke slaakte enkele kreten die een dergelijke, goed christelijk opgevoede jongeman normalerwijze niet in de mond zou mogen nemen, maar gezien de ernst van de zaak zien wij dit door de vingers. Iets wat helemaal nog niet meevalt als je niet aan anorexia nervosa lijdt, of niet in Ethiopië woont, wat op zich op hetzelfde neerkomt. Daarna ging het op huis aan, onder het zingen van enkele Happye liederen.
Ze zetten Case af bij de Boschimpansee, waar zijn vader hem al stond op te wachten. Case had weer eens een geintje uitgehaald, en het zag er naar uit dat de toch al zo geteisterde achterzijde van Case niet al te beste tijden tegemoet ging.
Over beste tijden gesproken: toen Hietse en Sielke de huiskamer binnenstapten zat moeder Draadnagel naar Goede Tijden, Slechte Tijden te kijken. ln deze aflevering werd Arnie verkracht door zijn vader, kreeg
Terry een kind met drie hoofden, en werd Rien verbouwd tot vrouw.
Kortom: het was weer een gezellige aflevering.
Die avond gingen de beide jongens maar eens vroeg naar bed. Hietse voelde zich niet al te lekker en hij had wat jeuk. In bed praten ze nog wat na over de gebeurtenissen van die dag. Vooral Louche moest het ontgelden. Wat had ze eigenlijk bedoeld, toen ze dat gezegd had over Huize Van Bil?
De beide kwajongens waren moe geworden van alle gebeurtenissen van de dag, zodat ze binnen enkele uren in een diepe slaap waren, elk met hun eigen dromen, niet wetende wat hen de volgende dag te wachten stond.
HOOFDSTUK 5
Met Kor naar de grote stad
Tsjong," zei vader Draadnagel, al eizend wijzend naar het artikel in het Algemeen Nachtblad over de Ritsel koeriers. "Het liekt verdomd die jongen van Beetsma wel. Hoe heet'ie ook weer, was 't niet Pater." Moeke de vrouw wierp een blik op de foto, waardoor de krant scheurde, en beaamde het door haar man gesuggereerde.
"Ja," riep Hietse, zoals gewoonlijk als eerste al springend de trap afsukkelend, "die ken ik ergens van. Is dat niet die hampelman die zonder de rekening te betalen de kroeg uit loopt."
Vervolgens volgde Sielke, die al slenterend de trap af stuiterend, het door Hietse geopperde ontkennend bevestigde. Dit was één van de ongebruikelijke taferelen die men op zaterdagochtend in de smidse van het dorp kon waarnemen. Al even gewoonlijk was het dat de broertjes Draadnagel nog tot diep in de morgen hadden liggen te woelen in hun bedden.
Wat misschien nog gebruikelijker was, was het feit dat deze zelfde ochtend een jongeman uit de bus stapte. Hij liep regelrecht naar de smidse van onze beroemde tweeling en liep pardoes naar binnen. Bij het binnenstappen van de woonkamer onttrok zich een luid gejuich aan de menigte: vader, moeke de vrouw, Hietse en Sielke uit ten hun uiting van pret: "Ha, die Cnor!"
Kor was het brave neef je van de buren van de familie Draadnagel: mijnheer en mevrouw Bleeker. Mijnheer was hoegenaamd klerk op het kantoor van de notaris, wat zijn vrouw een reden vond om erg deftig te praten. Kor was vroeger nogal eigenwijs; hij droeg altijd mooie kleren en zijn haar was immer netjes in een scheiding gekamd. Onze tweeling had driftig geprobeerd hem al die deftigheid af te leren, maar ondanks alles was Kor een mietje gebleven.
"Zo Kor, jij ook weer hier," bulderde vader Draadnagel door het vertrek, "neem een boterham met pindakaas, jongen. Daar word je groot en sterk van. Dan kun je later boer, schaatser, wielrenner of wat dies meer zij worden."
"Mag ik bedanken?" vroeg Kor enigszins aan geslagen.
"Gaat uw gang," grap te moeke de vrouw.
"Ik wil u hartelijk bedanken," diende Kor moeke van repliek.
"Gaat uw gang," deed moeke de vrouw het nog eens dunnetjes over.
"Bedankt!" zei Kor, altijd in voor een boerse kwinkslag. Na dit hartelijk weerzien, waarbij over en weer de nodige fietsendiefstallingen werden uitgewisseld, gingen de drie belhamels naar het schiphok achter de smidse, waar Kor met een voorstel op de proppen kwam: "Jongens, zouden jullie het niet appreciëren om vanavond in de grote stad te gaan stappen. Dat lijkt me gezellig, zo met z'n drieën." (Kor doelde hiermee op het aantal van drie.)
Na even beraadslaagd te hebben, weerlegde Hietse: "in principe gaan wij akkoord met dit edele voorstel, op voorwaarde dat ook Case en Coolio kunnen participeren in deze propositie."
Ofschoon niet geheel tevreden -hij was liever met dit duo frisse boerenknapen vertrokken -stemde Kor met het voorstel in. Na eerst pa & ma op de hoogte gesteld te hebben (een avondje stappen in de -grote stad, dat moest toch kunnen voor jongens van 18, 19 jaar) werden Case en Coolio gebeld. Case wilde eerst part noch deel in dit ijdel plan hebben, maar ging tenslotte toch over stag toen Hietse vermeldde dat er in de grote stad ook snackbars, die heerlijke patatten met frieten verkochten, gevestigd waren.
Nou, dat hoefde geen tweede keer gezegd te worden. Nou dat hoefde geen tweede keer gezegd te worden.
Voordat de klok tien voor acht geslagen had, zaten onze vlegels in de Hagedis. Met dit verbazingwekkend rappe vaartuig voeren zij alras langs de eenvingerige brugwachter, die hun spontaan met deze de goede richting.
aanwees. En om een kort verhaal lang te maken voer de Hagedis de haven van Lemmer binnen. Als primaire handeling besloten onze vrienden om even een terrasje te pakken. Al zittend aan de waterkant, Duitsers provocerend en genietend van de langswiegende heuvel-, dal-, en berglandschappen (goede tijden), besloten de jongeheren maar aan de Punica te gaan. Na enkele rondjes Punica begonnen onze schavuiten al aardig los te geraken. Sterker nog: Hietse en Sielke waren al zo los als een deur, terwijl ook Coolio en Case al enigszins tipsy voor zich uit keken. Alleen Kor, als 'frisse' jongen zijnde, was nog enigszins nuchter. Die had vanavond heel iets anders op het oog.
Het werd half elf uur. Het werd donker. Een haan kraaide. Na rijp beraad werd gezamenlijk besloten om maar eens een kijkje in De Fnuik te gaan nemen. Gevierlijk stond het trio op en na achterlating van het niet luttele bedrag van f 120,40 (slechte tijden), zetten zij gezamenlijk koers naar de gigantische discotheek. Alleen Case stribbelde voorwaar nog enigszins tegen: hij wilde eerst enige maagvulling aanbrengen. Daarop werd besloten om naar het etablissement van Long Tal! Age Fastfood Faber te vertrekken om een vette bek te halen. Onder het genot van tig patatten en kroketten werd uiteindelijk koers gezet richting De Fnuik.
Eenmaal binnengetreden zetten de vlegels direct koers richting tap, maar een ontzettende vleeshoop versperde de weg. Na beleefd op de derde vetkwab van de vijf tiende speklaag geklopt te hebben, zonder ook maar enige reactie aan de vlees berg onttrokken te hebben, trokken de schavuiten hun conclusies. Dit moest de World Famous Dikke Riekie wel zijn. Na raad berijp werd besloten om dan maar met z'n allen over Dikke Riekie heen te gaan. Na het betere sjor- ,ram- en beukwerk waren ze eindelijk over Riekie heen, zonder dat deze er overigens iets van had gemerkt had, laat staan gevoeld.
Bij de tap aangekomen bleek dat Wilco Sinnema (niet te verwarren met Jan, red.) reeds besteld had voor de hele avond, m.a.w. iedereen had vrij drinken deze avond. Na enkele van die discoplaatjes te hebben aangehoord hadden US hollebatsers er meer dan genoeg van.
Op het moment dat het eerste riedeltje van AC(DC (Thunderstruck) uit de luidsprekers klonk, bezetten de vier(?) vrienden de dans vloer en werd het ene na het andere discomietje van de vloer gekegeld (goede tijden). Na dit o zo subtiele gedoe werd het pas echt stevig aangepakt en volgden nog enige aardige versjes te weten Death: Leprosy, Obituary: Slowly we rot, Nuclear Assault: Hang the pope, Sacred Relch: Who's to blame en last but not least een eerbetuiging(?) aan ene dr. Mengele nl. Slayer: Angel of death.
Tijdens deze fijngevoelige muziekjes ontdekte Coolio het ook in Lemmer alom bekende headbangplankje (0 ja. Ja. 0.) Spontaan knalde hij met zijn hoofd tegen het edele stuk hout, maar helaas voor Coolio stak ergens bovenin nog de punt van een schroef door het plankje heen. In dier voege dat door Coolios niet geringe lengte diens linker hersenkwab geheel en al werd doorboord door de puntige uitwas. .
"Au," zei Coolio, maar dit mocht de pret niet drukken, en bovendien was hij toch links. Terwijl dit tafereel op de dansvloer plaatsvond, had Kor hele andere dingen aan zijn hoofd. Hij had al gemerkt dat de vier proletariërs niet van zijn diensten gediend waren. Nu trachtte hij het met iemand
anders aan te leggen. Hij was druk bezig contact met Reade Sake te maken. Maar op een wat al te innig gebaar van Kor reageerde Sake kort maar krachtig: "Kor op, vuile vunzigaard!"
Kor reageerde in zijn onschuld met een, "wat ben je toch een mallerd," maar toen bleek dat Sake het meende koos Kor twee pakken melk voor z'n geld.
Om toch deze avond aan z'n trekken te komen, legde hij het vervolgens aan met een mannelijke gestalte, die staande aan de tap, allerlei stoere verhalen de wereld in bralde. Schoorvoetend benaderde hij deze stoere Lemster zeevissersbonk, die hoe dichter Kor naderde toch niet helemaal was wat hij er zich van had voorgesteld. Sterker nog, het was US Jeltsje, die haar uiterste best deed om zo mannelijk mogelijk over te komen. En US Jeltsje kon Kor de broek net bolje.
Na deze tweede desillusie, probeerde Kor het desalniettemin nog eenmaal. Die vent met die snor en die baard, die was het toch helemaal.
"Wie niet waagt, die niet wint," dacht Kor, maar schrok zich een ongeluk, want wie was dit: de dame met de baard (voor verdere specificatie: zie volgende hoofdstuk. Hier zal tevens het geval Louche van Bil verder geëxpliceerd worden). Als gevolg van dit hele tafereel spreidde Kor spontaan enkele zelfmoordneigingen ten toon en na twee gelukte pogingen mis- lukte de derde eindelijk (slechte tijden).
Hietse, Sielke, Case en Coolio vonden het op dit moment wenselijk om de buitenlucht maar weer eens op te zoeken, en met medeneming van de stoffelijke resten van Kor vertrokken zij. Buiten aangekomen stond de groep na te praten over de toch wel geslaagde avond.
Op een gegeven moment begon Hietse een stoer verhaal over het in hun eigen dorp o zo populalre klompboksen. En tot zover was er nog niets aan de hand.
Maar binnen de kortste keren stonden een stuk of tig stoere Lemsters onder aanvoering van de in Lemmer wereldberuchte Lucas achter Hietse. Na wat stoer gewauwel over Joost den Draaijer c.s. werd het pas echt menens.
"Wuust dou nog's echt klompbokse, nou," tierde Lucas, niet rekenend op Hietses temperamentvolle counter. Hietse gaf Lucas een ontiegelijke watjekouw, waardoor deze laatste in één keer achterover in'e tun lag (goede tijden). Toen was de boot aan. Ook de andere Lemsters, waaronder Harm Kullie, Piet & Brarn Teut, Marten Knoffel, Bertus Jut and last but aiso least Age Boorpunt, die al stekend met een boorpunt, Coolio ook van z'n rechter hersenkwab bevrijdde, droegen hun steentje bij; ook zij hadden er wel een handje van.
Op het plein voor De Fnuik ontstond een grote kluwen vechtend tuig, totdat stadsveldwachter Bruin de beide groepen scheidde: "Sapperloot, wat is hier aan de gang en bezig. Als de heren niet als den drommel maken dat ze weg komen, dan maak ik een procesverbaal op. Voor deze keer zie ik het nog door de vingers, maar laat het niet meer gebeuren. lngerukt. Mars."
Onthutst besloten onze vrienden hierop de strijd te staken, de brui er aan te geven, de plaat te poetsen, de pijp aan Maarten te geven en tenslotte hun stalen zeeros weer te bestijgen.
En om een kort verhaal lang te maken voeren zij richting het chemisch-afval-eiland en dumpten daar het stoffelijk overschot van de toch al stevig vervuilde Kor. Beter één Kor op het eiland dan tien in je ??? Vervolgens werd koers gezet richting de brug, die gepasseerd werd op het moment dat de klok geen acht uur sloeg.
Thuisgekomen bleek dat Coolio als een soort kip zonder kop geen aanstalten maakte om huiswaarts te keren. Ook Case was niet helemaal fit.
"Ik ben een beetje misselijk," zei Case met z'n hand over z'n buik strijkend; "Ik voel me niet zo lekker."
Na de twee heren bij de dokter (deze woonde naast de Draadnagels) achtergelaten te hebben, keerde de tweeling huiswaarts. Na binnengetreden te zijn en al kruipend de trap bestormend, vroeg Hietse aan Sielke: "Wat hebben we nu geleerd van dit hoofdstuk?" waarop Sielke al tijgerend de treden bestijgend respondeerde: "Krijg nooit houwerij met Lemsters en ga nooit met een Kor te stappen!"
Hierop doken beiden al slapend onder de dekens. Op het zelfde moment bezorgde Sjimmie Bannemo wederom een enveloppe, welke deze keer echter afkomstig was van het Ministerie van Defensie. Wat zou de Draadnageltjes nu weer boven het hoofd hangen, een zenuwoorlog misschien?
HOOFDSTUK 6
Met 't hele clubje naar Landsstad en hoe Gerrit een poets bakt.
Om klokslag tien voor acht werd de tweeling gewekt door het luidkeelse en uitbundige lawaai der kerkklokken. Hietse keek, nog wat slaperig, op zijn kwartshorloge en zei tegen zijn broer Sielke,die inmiddels ook wakker was geworden: "Hé, volgens mijn horloge is het al acht uur!"
"Ja," antwoordde Sielke, "dat klopt, want die torenklok loopt tienminuten achter .
"Waarom slaat hij dan?" diende Hietse zijn broer van repliek.
"Wie, vader?"
"Nee, die torenklok!"
Hierop moest Sielke het antwoord schuldig blijven. De twee broers
sprongen kwiek hun bed uit, Hietse ietwat rapper dan Sielke, daar Sielke nog enige last ondervond van de 'spoedoperatie' ter verwijdering van het inmiddels beruchte stukje rubber, de dag ervoor. Hietse rolde welgemoed de trap af, maar zag dan een enveloppe afkomstig van het Ministerie van Defensie op de kokosmat liggen. Zijn gezicht betrok. Met een somber voorgevoel scheurde hij de enveloppe open en stiet toen een rauwe kreet uit die zelfs smid Draadnagel wekte en de trap af deed tuimelen.
Ook Sielke kwam zo vlug hij kon (namelijk: langzaam) de trap af. Hij hoorde Hietse wenend uitroepen dat de enveloppe een oproep bevatte om het landsbelang te gaan dienen; ze moesten binnen een week afreizen naar het oliestaatje Beri-Beri in donker Afrika. Nu lag dat weliswaar enige duizenden kilometers van Irak af, maar je weet het toch maar nooit met die raketten.
Op dat moment hoorde smid Draadnagel rumoer uit de richting van de smidse. Zijn verslagen uitziende zoons achterlatend repte hij zich naar de smidse en zag daar door een groezelig raampje hoe Gerrit zich buiten op de knieën sloeg van het lachen. Draadnagel opende snel de grote deuren van de smidse en vroeg Gerrit om een explicatie van zijn blijkbaar opperbeste humeur. Proestend legde Gerrit hem uit dat hij het geld dat hij met de loterij had gewonnen, had gebruikt om het Ministerie van Defensie om te kopen, om Sielke en Hietse te laten oproepen voor militaire dienst.
"Nondeju," zei smid Draadnagel, "zal ik de jongens dan maar gauw gaan zeggen dat dit geheel op een grap berust?"
Nog bulderend van het lachen stemde Gerrit toe. De smid liep terug naar de jongens, maar halverwege bedacht hij zich. Die twee knapen hadden hem immers ai zo veel last bezorgd in zijn leven; zou het niet beter zijn om ze maar naar Beri-Beri te laten vertrekken? Daar werden ze hard van. Hij twijfelde, want niet alleen hield hij toch ergens ook wel van zijn twee knapen, maar ze betekenden bovendien een niet geringe bron van inkomsten voor hem, omdat ze hem vaak hielpen in de werkplaats. Dat laatste gaf de doorslag; hij besloot de jongens in te lichten betreffende de poets die hen door Gerrit was gebakken.
Het moge vanzelf spreken dat de twee jongens deze grap niet konden waarderen, en ze besloten dan ook om wraak te nemen op Gerrit bij de eerstvolgende gelegenheid.
Na zich aan gekleed te hebben gingen de Draadnageltjes ontbijten. Het was toen dat mevrouw Bleeker, bij wie Kor gewoonlijk logeerde als hij in het dorp was, binnen kwam vallen.
"Zeg," begon zij, "hebben jullie Kor gisteravond niet thuisgebracht?
Zijn bed is helemaal onbeslapen!"
"Heremijntijd," dachten de jongens tegelijk, "die Kor, of wat er van hem over was, hebben we gisteren gedumpt op het chemisch-afval-eiland!" Ze beloofden de buurvrouw dat ze Kor, al dan niet levend, vandaag thuis zouden brengen.
Nauwelijks was de buurvrouw verdwenen of daar kwam Coolio Happy luid lachend binnen.
"Hé," zei Sielke, "wat is Coolio Happy."
"Je bedoelt zeker: DAT is Coolio Happy," antwoordde Hietse.
"Nee," zei Sielke, "ik bedoel dat Coolio Happy is."
"Ja," antwoordde Hietse, "Coolio is zijn hele leven al Happy, simpelweg
omdat zijn vader ook zo heette."
Coolio maakte een einde aan deze broedertwist door uit te leggen waarom hij zo opgewekt was. Zijn opgeruimde stemming bleek ten grondslag te liggen aan het feit dat er eindelijk duidelijkheid was gaan bestaan over het tot dan toe mysterieuze mysterie van Louche van Bil, die twee dagen daarvoor immers gezegd had: "Dit is huize Zonderland niet meer, het is nu huize Van Bil en dat wordt ook de bedrijfsnaam." Na de uitleg aangehoord te hebben besloten de drie sofort een kijkje te gaan nemen bij Huize Van Bil. Ze renden naar het boothuis, stapten in de Hagedis en voeren snel onder de brug door, het meer op in de richting van Huize Van Bil. De Hagedis danste op de golven (de Sirtaki) en Coolio, die voorin zat, kreeg voortdurend water over zich dat onder de boeg vandaan spatte. Maar dat don derde hem nik
s, want hij werd de volgende dag toch weer nat.
Bij Huize Van Bil was het een drukte van belang: er stonden allemaal meneren met bezwete hoofden zich voor de deur te verdringen, en de drie jongens begrepen dat het nu geen zin had om te proberen uit te zoeken of Coolios bewering waar was geweest. De enige zichtbare verandering aan de woning was een rood lampje boven de voordeur.
Teleurgesteld stapten de jongens weer in de Hagedis en als een speer voeren ze in de richting van de Boschimpansee (noot van de schrijver: sinds wanneer kan een speer varen?). Daar stond Case al klaar en met z'n vieren gingen ze naar het chemischafval-elland om te kijken wat er van Kor (of Cnor zoals sommige andere mensen hem noemen) over was. Bij het eiland kwam al van verre een geur van verbrande nieren hen tegemoet.
"Ha, lekker, gebakken niertjes," riep Case, doch de anderen leek dit niet zo smakelijk. Op het eiland gekomen konden ze nog duidelijk ontwaren wat Kor z'n hoofd was geweest, en ook verder waren er hier en daar duidelijke sporen van iets dat vroeger best eens een mens geweest had kunnen zijn. Ze gooiden alle stukjes Kor in de Hagedis en overlegden wat nu te doen. Opeens kreeg Case een ingeving.
"Ik ken de arts die mij vroeger bij m'n geboorte uit mijn moeder heeft gepeuterd nog wel," zeI hij, "en die heeft van dit soort dingen volgens mij
ook wel verstand. Maar hij woont helemaal in Landsstad.."
"No problem," antwoordde Hietse, "dan gaan we daar toch heen!" en hij gooide de boot in z'n vier waardoor deze er van door stoof, onderweg de golven en enige watersporters splijtend. Na een paar dagen varen kwamen ze in Landsstad.
"Waar woont die kerel nou?" vroeg Sielke.
"Hier ergens volgens mij," zei Case. Na wat rond gevaren te hebben zagen ze in dat ze zonder externe hulp de woning van de persoon die ze moesten hebben niet zouden vinden. Coolio riep derhalve naar een toevallige voorbijganger: "Meneer, mag ik u iets vragen?" De voorbijganger antwoordde: "Dat is dan bij deze gebeurd. Graag gedaan, goedemiddag."
Case besloot in te grijpen. Op dat moment greep Case in. Hij riep naar de toevallige voorbijganger: "We zoeken iemand die stukjes mens aan elkaar kan zetten."
"0?" antwoordde de man, "en wie ben jij dan wel?"
"Ik ben Case Greppelstra uit Zomeren en hier in de boot liggen wat stukjes
van onze vriend Kor, en nu zouden we graag zien dat die in elkaar gezet zouden worden."
"Case Greppelstra uit Zomeren?" sprak de man peinzend.
"Nou, ik zal je wat vertellen: ik ben Hietse Mooiweer, verloskundige en
plastisch chirurg van beroep, en ik doe onder andere alle bevallingen in Landsstad en wijde om streken. Heet jouw moeder soms Kornelia Schoneveld, en je vader Jan Dijk- stra, en wonen jullie in de Boschimpansee in Zomeren?"
"Ja," antwoordde Case.
"Nou," zei de man, "ik weet toevallig dat Kornelia Schoneveld niet jouw
moeder kan zijn. Ze kan namelijk geen kinderen krijgen. Jan Greppelstra heeft het vaak genoeg geprobeerd, maar niks hoor. Als ik het goed heb is één van haar longen toen ze klein was in haar baarmoeder geklapt en sindsdien kan ze geen kinderen krijgen."
"En wat die stukjes Kor betreft," vervolgde het heerschap, "bel m'n
secretaresse maar voor een afspraak."
Fluitend liep de man weg, de jongens in ontzetting achterlatend. Case' mond hing open van verbazing. Zijn moeder was zijn moeder niet! Maar was hij dan geadopteerd of zo?
"Hm," dacht Case, "straks toch eens aan moeder vragen."
Na dit voorval wilden de schippers wel weer eens terug naar huis, en
Hietse zette daarom koers richting Zomeren. Toen ze door een buitenwijk van Landsstad voeren, riep een vrouw naar hen: "Hé, schippers van de Hagedis!"
Hietse zei tegen Sielke: "Hoe heet die boot van ons ook al weer?" "Eh... ik kan er even niet op komen," antwoordde Sielke.
Coolio bracht uitkomst. Hij zei: "Volgens mij heet jullie boot de Hagedis."
"Dat was het, ja," zei Hietse.
"Maar dan riep die mevrouw daarnet naar ons!" en hij stuurde de
Hagedis naar de kant.
"Wat leuk dat jullie er zijn," sprak de vrouw.
"Kom maar gauw mee, de anderen zijn er al." In de Hagedis werden
onbegrijpende gezichten getrokken.
"Wat bedoelt gij?" vroeg Sielke.
"Nou, jullie hebben toch die brief gekregen waarin onze maatschappij
vraagt om aan de parade mee te doen? We verzamelen alle schepen die ooit door ons gemaakt zijn. De parade begint over een half uurtje."
Het valt te begrijpen dat deze woorden bij onze vrienden voor consternatie zorgden. Edoch, voor een parade en wellicht een feestje na afloop waren zij begrijpelijkerwijs wel te porren. Opgewekt gingen ze dan ook met de vrouw mee, niet wetend wat hen te wachten stond.
HOOFDSTUK 7
Op zoek naar Gurbe en niet hoe de Hagedis de parade wint.
"Jullie moeten je bij het boothuis aan de overkant van het meer aanmelden
voor de parade," sprak de vrouw hun toe.
Opgewonden liepen de vier kornuiten naar de Hagedis. Hun gedachten waren al bij de hoofdprijs van vijf gulden, beschikbaar gesteld door de middenstand van Landsstad, voor de mooiste boot in de parade. Vooral Case fantaseerde over alle heerlijkheden die ze voor al dat geld konden aanschaffen. Vijf gulden is maar liefst 50 kauwgomballen dacht hij.
Aangekomen bij de boot zagen ze de stukjes Kor nog steeds op het voordek liggen.
"Ha die Kor, oude hapsnurker, hoe gaat ie," gekscheerde Coolio die altijd wel in was voor een grapje. Maar Kor had zijn hoofd er niet helemaal bij en moest het antwoord dan ook schuldig blijven.
"Laten we Kor in een net stoppen en achter de boot aanslepen," verwittigde Coolio zijn medeschippers van zijn mening, "dan blijft hij tenminste langer houdbaar en is hij misschien nog te redden." Ze gingen biermee direct akkoord, ook al omdat de stukjes Kor op het voordek de Karneleon danig ontsierden dat het hun de eerste prijs wel eens zou kunnen kosten. Restte hen alleen nog naar een net te zoeken.
Toevallig herinnerden Hietse en Sielke Draadnagel zich de vroegere boerenknecht van boer De Boer die verhuisd was van Zomeren naar Landsstad. Hij kon hen vast wel aan een net helpen. Deze boerenknecht, Gurbe Keimpema was altijd een stille jongen geweest. In de jaren dat hij bij boer De Boer had gewerkt spraken boer De Boer en Gurbe nooit met eikaar. Alleen 's ochtends zelden ze "Goedemorgen" tegen elkaar en aan het einde van een harde dag werken "Goedenavond." Door jaren van hard werken had Gurbe een mooie brommer bij e!kaar gespaard en hij scheurde dan ook met veel gevoel voor show door Zomeren heen naar de boerderij van boer De Boer. De boer dacht "Laat ik eens aardig zijn voor Gurbe," en na elkaar gegroet te hebben zei hij plotsklaps ineens en bovendien onverwachts "Gurbe, wat heb jij toch een mooie brommer gekocht." Gurbe antwoordde kort maar krachtig met "Ja," en ging aan het werk. Aan het einde van de dag liep Gurbe naar de boer met de mededeling "Boer, ik neem ontslag," waarop de boer geschokt reageerde "Maar waarom dan mien beste jong."
"Ach," antwoordde Gurbe "Dat gezeur hier ook altied over de brommer," en hij verhuisde daarop naar Landsstad.
Tot zover Gurbe vroeger. Maar waar konden onze schippers (geen familie van vette Schippers) Gurbe nu toch vinden want Landsstad was vergeleken met Zomeren toch een behoorlijke stad.
"Laten we aan dokter Mooiweer vragen waar Gurbe woont," opperde Coolio.
"Potjandriedubbeltjes nog aan toe, wat is die Coolio toch een slimmerik," dachten Hietse, Sielke en Case in koor en ze stemden dan ook direct in met zijn plan. Maar ja, waar woonde dokter Mooiweer? Nadat Coolio, de durfal, aan een voorbijganger had gevraagd waar dokter Mooiweer woonde gingen de belhamels op pad. Het was nog een flink eind lopen en onderweg kwamen ze nog een replica van Us Mem tegen.
"Hi, hi," bulderden Hietse en Sielke tegelijkertijd omdat hun gedachten hierbij uitgingen naar Gerrit.
Malle Case kon zich weer eens niet inhouden en wilde beslist bovenop US Mem zitten. Hietse, Sielke en Coolio lagen in het gras te rollebollen (van pret uiteraard) en toen Case met smerige schoenen van US Mem aftuimelde, deden de buikjes helemaal zeer van het lachen.
"Smeerpoets die je bent," lachte Hietse hem toe, "als je moeder dit merkt mag je zeker een week niet buiten spelen."
"Rotjongens, dat is niet leuk hoor," schreeuwde Case hen prompt huilend toe.
"Wij willen geen huilende mietjes in de Hagedis," plaagde Sielke grappig als hij was, waarop Case nog harder begon te huilen.
"Ik zal je in stukjes hakken," beet Case hem weer toe.
"Over stukjes gesproken, we moeten aan Kor denken," sprak Coolio hun op wijze toon toe en ze vervolgden hun weg naar dokter Mooiweer.
Aldaar aangekomen werden ze door de heer des huizes verwelkomd.
"Mooi weer hé, meneer Mooiweer, of is het weer mooi?" grapte Case hem toe die al weer over de schrik heen was.
"Niet zo hé, aardappelzak die je bent," snauwde Mooiweer hem toe, "wat motte jullie hier."
"Wij zijn op zoek naar Gurbe Keimpema, meneer Mooiweer," sprak Sielke.
"Weet u misschien waar hij woont?"
"Jawel, maar waarom komen jullie daarvoor naar mij toe?" vroeg de dokter op zijn beurt.
"Omdat wij alleen gij hier in Landsstad kennen," wierp Hietse hem plechtig toe.
"0," zei de dokter, "hij woont toevallig precies 2 huizen verderop, maar pas goed op dat je niet verdwaalt, want Landsstad is wel even iets groter dan dat gat van jullie."
Ze bedankten meneer Mooiweer en liepen naar het huis van Gurbe.
"Wat een viezerik die meneer Mooiweer, volgens mij is hij een poot,"zei Case geshockeerd, "hij had het over ons gat."
De andere jongens proestten van het lachen. Wat was die Case toch dom! Coolio was de eerst die Gurbe zag.
"Gurbe, hoe is het met de brommer," riep hij dan ook olijk. Gurbe zag hen ook en stak zijn hand op.
"Gurbe, je bent zeker nog steeds geen grote prater," zei Coolio waarop Gurbe zijn schouders optrok.
"Praatjes vullen geen gaatjes zal die sexmaniak wel denken," fluisterde Coolio de anderen toe en richtte zich tot Gurbe: "Heb je misschien een net voor ons?"
"Joowel, kom moar mit noar de schuure, doar heb 'k er nog wel ien liggn," en hij gaf de knapen een visnet.
"Het is al 2 uur, we moeten opschieten anders missen we de hoofdprijs," schreeuwde Sielke en de knapen zetten het op een holien. Onderweg werden ze nog een keer aangehouden door een jongen die een winkel zocht waar ze een serieel geschakelde 16 megahertz bitcomputer met een monitor bandbreedte van 20 Hertz en een contrageschakelde dipswitch verkochten.
Sielke was de eerste die P61 een slag op de bek gaf en snel huppelden ze verder.
Gelukkig lag de Hagedis nog steeds op dezelfde plaats in het water en snel sprongen de jongens erin. Ze klommen drijfnat de wal weer op en sprongen nu in de Hagedis.
Kor werd in het net gewikkeld en met een touw eromheen overboord gegooid en vastgebonden aan de Hagedis.
De parade... en de Hagedis won de parade. Tot zo ver dit goed doordachte intermezzo. (Noot van de schrijver: geen zin om onnozel stukje hierover te schrijven en met dien verstande constaterend in dier voege moeilijk te schrijven. ?? )
Op de terugreis naar Zomeren werd de overwinning luid edoch hard bezongen. De Hagedis doorkliefde het water en met rasse schreden naderde de boot de thuishaven.
Toen ze de Boschimpansee bereikten om Case af te zetten kwam Case zijn vader er al opgewonden aanhollen.
"Jongens, luister!! De oorlog is begonnen: Amerika heeft Irak aangevallen."
"Maar dan mogen we wel vast gaan hamsteren!" riep Case zijn vader toe, "want straks zijn er helemaal geen hamsters meer en zijn wij mooi te laat."
"We moeten de Amerikanen helpen," opperde Sielke, "want er is maar één boot in de wereld die Irak kan verslaan!!"
"DE HAGEDIS!!" riepen de anderen na elkaar in koor.
"Weet je wat," zei Coolio, "ik heb een geweldig idee. We kunnen in de werkplaats we! een lanceerbuis maken op de Hagedis en die vullen met het chemische afval die we naar de stortplaats hebben gebracht, dan kunnen we Irak mooi bestoken met chemische wapens."
Wat een idee! Case nam direct afscheid van zijn vader en gevieren haalden ze, Kor helemaal vergetend, Gerrit op om direct hun bouwwerk in e!kaar te zetten. Wat zou hun nu nog allemaal te wachten staan ?????
HOOFDSTUK 8
Sielke en Hietse verzamelen gescheiden afval in, en Sielke dwaalt af in Dromenland.
Er wordt op de deur geklopt, en meteen gaat de bel.
"Wie is daar?" roept Elizabeth, terwijl zij de opgewarmde hamburger
salade uit de magnetron op tafel op dient.
"Ik ben het, gij o zo schone vrouwe," klinkt het van buiten de
gelagkamer, met een hese stem.
"Treed dan onverwijld binnen; gebruikt uw chipcard en opene de deur die ons scheidt." De nar staat op en houdt het gezelschap Happy bezig. Ivanhoe himself valt met de deur naar binnen. Geschrokken zegt Elizabeth in rappe bewoordingen aan de butler "Schroomt niet ons hier te verlaten, gij afwezige, ga gelijk een opdracht aan de firma Bierzak in het dorp over videofaxen, ten einde de toegangsdeur voor reparatie te laten opnemen." Ivanhoe groet de gastvrouwe op gebrui- kelijke wijze.
"Pas op, zo de koning u hier zal aantreffen, hij zalle uw hart doorboren," zegt de edele vrouw vol verbazing, en op dat moment word het vredige samenwonen wreed verstoord door wederom de bel van de toegangsdeur tot de smidse.
De gebroeders verlieten hierop de ouderlijke woonkamer in gespannen toestand, en zetten de tv uit.
De grappige, jolige en o zo vriendelijke boeren knecht van boer Jelsema en vriend van onze helden, Gerrit, opgehaald te hebben, vertrok het illustere stel meteen met de immer snelle Hagedis naar het eiland in het midden van het meer.
Daar aangekomen bleek dat een uit Libië afkomstig schip te werd volgeladen met al hetgeen zich op het afval eiland bevindt. Maar gelukkig was er afval genoeg, want ook al het chemisch afval van de grote stad bij Zomeren in de buurt, zorgde voor regelmatige aanvulling van de reserves op het eiland.
Onder aanvoering van de bezielde leiding van Gerrit, begonnen onze vrienden met het opzoeken van zoveel mogelijk zwaar chemisch afval, want hoe zwaarder hoe beter. Na geruime tijd hard gewerkt te hebben, meldde de immer op eten beluste Case: "Zeg opperhoofd Gerrit, moeten wij niet naar huis toe, want het is inmiddels al bijna 16.00 uur volgens mijn horloge."
Sielke maande de anderen tot stilte, en hoorde daarom de kerkklok inmiddels vier maal slaan. Case had dus gelijk!
"Drommels nog aan toe," zei nu ook Gerrit, "wij moeten opschieten, want anders kom ik wis en warempel veel te laat bij de boerderij van mijn broodheer. De koeien van boer Jelsema moeten immers op tijd gemolken worden, weet je?" Gerrit klonk nogal geschrokken.
"Breng mij nu meteen maar weg, en gaan jullie ook naar huis, want dat chemisch afval laat je niet in de koude kleren zitten, hi hi. En ik wil wel dat jullie voor slapen thuis zijn, want het is morgen vroeg weer dag!" Hietse knikte instemmend, en draaide het startsleuteltje van de Hagedis om, totdat de motor, luid ronkend, aansloeg.
Met grote spoed brachten de beide schippers en Coolioen Gerrit naar Jelsema's boerderij. Vervolgens werd Coolio bij de voormalige kaas- en boterfabriek afgezet. Coolio riep iets toen de Hagedis alweer zo'n tien meter van de wal verwijderd was.
Gezellig pratend, en de buit bekijkend, voeren Sielke en Hietse naar het dorp toe. Onderweg zagen ze Case Greppelstra voor de poldermolen van zijn
vader staan, althans dat vermoedden ze, want van de molen was geen moer te zien. Dit was op zich niet zo verwonderlijk, want de Boschimpansee was geheel uit hout opgetrokken, en daarmee was de molen in de omgeving een uniek brokje cultuur.
Teneinde niet te verzanden in een weinig om de hakken hebbende samenscholing van niet-samenhangende woorden, gingen Sielke en Hietse, thuis aangekomen, hun ouders met een Happy "Welterusten, vader en moeder," gevolgd door een immer gelijkluidend, "meteen gaan slapen hoor, en doe het licht wel uit," van moeder, en "Morgen vroeg weer op," van vader, toeroepend, snel naar hun slaapkamer. Van het meteen gaan slapen kwam voor Sielke niets terecht.
Zodra Sielke goed en wel op bed lag, schoot het meteen door zijn hoofd, dat al datgene, wat tegenwoordig voor het eigenaardige object der wetenschap gehouden wordt: de natuurwetten, die voor alle lichamelijke en geestelijke verschijnselen gelden, door hem, Sielke dus, naar het gebied van het denken verwezen wordt, terwijl datgene, wat men heden ten dage tot het domein van het geloof rekent, voor hem het object van een strenge wetenschap is.
Sielke bezon zich, en bedacht dat hij hierover maar beter met niemand moest spreken, zolang hij het niet kon begrijpen. Ook Hietse begreep er niets van. Korte tijd later sliep Sielke, in navolging van zijn broer, in.
Na een goede nacht rust, werden onze beide vrienden bij het krieken van de dag reeds wakker, wat geen wonder mocht zijn, want het viel niet mee om ondanks het lawaai te blijven slapen. Ook vader en moeder Draadnagel bleken weer wakker te zijn geworden.
Gevieren nuttig den zij beneden bij de etenstafel aangekomen te zijn, het ontbijt met spek.
"Eet er maar goed van, dan worden jullie vast gelijk zo sterk jullie vader," zei moeder vol wetenschap, "en kunnen jullie met z'n beiden het
bedrijf overnemen als vader er mee moet stoppen." De beide jongens reageerden hier op in koor: "Ja," maar vader wist al dat ze niet meer te houden waren.
"Dat is koele wijn," grap te Sielke, waarop Hietse een geheimzinnig lachen niet voor zich kon houden.
"Wat nu," vroeg de smid vol verbazing, waarop Hietse verklarend meldde dat het rijmt.
"Vôllúk," klonk het van uit de werkplaats met de stem van Case. "Hé, daar is Case," sprak Hietse beduusd.
"Wat zou die uit de klei getrokken mini-molenaar zo vroeg op de dag
willen?" Wederom klonk het, "vôllúk."
"Ja, ja, ik kom er aan," zei de smid, die het inmiddels laat genoeg vond om te gaan werken.
"Wat moet je hier Case, zo vroeg?" vroeg Draadnagel met zijn zware bas-stem.
"Zijn Sielke en Hietse al wakker?" vroeg de jongeman. Hierop behoefde de smid geen antwoord te geven, want de beide belhamels van de smid waren reeds in de werkplaats aangekomen.
"Hebben jullie het al gehoord, dat jullie op CNN-tv zijn geweest met de Hagedis, vanwege de oorlog?" vroeg Case.
"Het wat?" zei vader vol verbazing, en vervolgde met: "Als ik ook maar merk dat jullie op welke wijze dan ook medewerking verlenen aan een enkele mogelijke soort van gedrag dat niet gepast is, dan zwaait er wat. Prompt zal ik jullie onderdompelen in het koude water van de koelbak."
Deze krachtig uitgesproken termen deed de gebroeders terug deinzen,
en zij wisten dan ook niets anders te zeggen dan: "Wij weten er helemaal eerlijk niets van." Hietse, zoals immer veel opstandiger, reageerde met, "ik wil het uitzoeken, want er is op dit gebied maar één de baas, en dat ben ik." Afijn, de gemoederen waren weer wat tot rust gekomen, waarop vader Case vroeg te vertellen wat hij van de Hagedis had gezien. Hierop vertelde Case in geuren en kleuren al hetgeen CNN had laten zien. Dit valt overigens niet eens mee, als je er rekening mee houdt, dat de familie Greppelstra slechts een oud de Wit-wit tv-toestel heeft, en om over de geuren nog maar te zwijgen.
"Weet je wat," doorbrak Sielke het monotone verhaal van Case abrupt, "we kunnen wel gaan varen met onze krachtige schip de Hagedis." Dit idee werd instemmend bevestigd door de anderen, die het geen slecht idee vonden.
"Maar we moeten nog wel wachten op Coolio," zei Hietse. Gelukkig
duurde het niet lang of ook deze vriend is bij het boothuis aangekomen.
"Hallo," riep Coolio Happy opgewekt, "gaan jullie uit varen, of niet?"
"Ja, wij gaan varen. Wil je mee?" vroeg Sielke, waarop Coolio niet onverbaasd reageerde met: "Maar natuurlijk."
"Weten jullie wat mij net gebeurde op weg hiernaar toe?" vroeg Coolio. Natuurlijk wisten de jongens dat niet, en daarop stak Coolio van wal. Hietse startte de oersterke motor van de Hagedis, en voer Coolio achterna.
"Jullie buurman Bleeker, je weet wel daar waar Kor altijd logeerde, hield mij tegen, en zei dat Kor telefonisch had opgebeld, om te zeggen dat hij terug naar zijn ouders in de stad was gegaan."
Vol verbazing werd er naar het verhaal over Kor geluisterd. Meteen haalde, de op het achtersteven van de Hagedis zittende, Sielke het net binnen boord. Daarop werd schijnbaar het verhaal van Coolio bevestigd. Het net was leeg, en Kor was weg. Laten we hopen dat dat maar goed zal aflopen!
Een angstig gevoel bekroop de jongens, maar zo niet Sielke. Onbewust dacht hij de verklaring van het mysterie rond Kor te weten. Het exacte verhaal ontbrak helaas nog.
De klok sloeg drie maal aaneenanderachterelkaardoor. Sielke werd wakker. Het was buiten donker. Het was nacht. Sielke had gedroomd.
"Gelukkig, dat is mij een opluchting, ik ben blij dat ik slechts gedroomd heb," mompelde hij voor Hietse onverstaanbaar.
"Wat is er?" klonk het met de stem van Hietse, waarop Sielke antwoordde: "Ik heb gedroomd, maar ik ben nu weer wakker?"
"Weet je dat zeker?" vroeg Hietse. Boos en verontwaardigd gaf Sielke zijn broer met een volmondig "Ja!" repliek.
"Ga weer slapen, en ga morgen vroeg naar de dokter, want volgens mij is jouw geest aangetast door het chemisch afval," snauwde Hietse zijn half bedwelmde broer toe.
Gelukkig maar, of niet lezertjes? Alles komt toch nog op zijn pootjes terecht, maar in welke mate is de geest van Sielke werkelijk aangetast. Sla nu maar hoopvol de bladzijde om, en begin met hoofdstuk negen te lezen, veel plezier. Neem gerust de tijd, want het dorp van onze vrienden is toch nog in een diepe slaap verzonken. Zelfs Sjimmie.
HOOFDSTUK 9
De jongens beleven hectische avonturen en Hietse telt tot drie.
Toen Sielke en Hietse de volgende morgen de werkplaats binnenstapten stond daar de briesende smid al te wachten.
"Wathebikmejouwdaar," bulderde hij. "Dat jullie twee dagen van huis blijven is nog tot Landsstad aan toe, maar onschuldige meisjes bezwangeren gaat mij te ver." Pardoes pakte hij de beide belhamels in hun nekvel en dompelde ze onder in de koelbak.
"Waar slaat dat nou weer op?!" klonk het plotseling. De smid keek verstoord op en zag dat een deftige dame de werkplaats binnengeschreden was. De dame, die zich voorstelde als barones Fripen, bleek voorzitster van de kinderbescherming en scheen nogal verbolgen.
"Ik zal zorgen dat deze jongens uit huis worden geplaatst!" sprak ze, en met deze woorden verliet ze de werkplaats. De verbouwereerde smid was van schrik vergeten dat hij de beide jongens nog onder water hield en daarom haalde hij ze ogenblikkelijk uit de koelbak. Gelukkig bleek er niets aan de hand, omdat beide jongens tijdens de onderdompeling in slaap waren gevallen. Echter de smid sprak nog een hartig woordje met de tweeling.
"Ik weet niet wie van jullie dit op zijn geweten heeft, maar ga ogenblikkelijk deze fout goed maken." En met deze woorden draaide de smid de jongens de rug om, (contaminatie? Nee, gewoon fout!) -zodat onze twee belhamels nu met een verrekte ruggenwervel moesten rondlopen.
"Hoe kunnen we dit probleem nu weer oplossen," sprak Hietse die
nogal praktisch van aard was.
"Ho, ho, rustig even," antwoordde Sielke. "We hebben nog niet eens een goede probleemstelling. Laten we die eerst maar eens formuleren." Dit bleek echter niet eenvoudig.
"We vertellen vader gewoon dat het een geval is van parthenogenese," opperde Sielke. Hoewel de beide jongens niet wisten wat dat inhield, besloten ze dit maar te doen. Vader had vroeger als opleiding LTS-C hout genoten, dus dit konden ze hem vast wei op de mouw spelden.
Nadat de jongens dit akkefietje hadden opgelost, besloten ze maar
weer te gaan varen.
"We zitten nu al in hoofdstuk 9 en we hebben nog steeds geen mensen
gered en boeven gevangen," meesmuilde Hietse.
"Laten we dan brood mee nemen voor tussen de middag, want we zullen het druk krijgen vandaag," bedacht Sielke schrander. Zo gezegd zo gedaan en even later bevonden onze twee kwajongens zich in gezelschap van Coolio en Case op het grote meer. Ze speurden ijverig de omgeving af op zoek naar boeven en drenkelingen. Maar het zat niet mee.
"Zullen we dat kleine meisje dan maar in het water gooien," opperde Case, wijzend op een kleuter die langs de waterkant een ijsje zat te eten. Dit voorstel werd door de anderen aangenomen en Hietse zette koers naar de kant. Nadat Case het ijsje van het meisje had afgepakt, slingerde Coolio haar zo ver mogelijk in het meer. Meteen daarna kwam Sielke in actie. Hij sprong pardoes het water in en met gevaar voor eigen leven wist hij de drenkeling naar de kant te brengen, waarna deze door Coolio en Hietse op de kant werd getild. De vader van het meisje, die de hele reddingsoperatie had gezien, was vol lof.
"Ik ga jullie trakteren, kom maar mee naar het Paviljoen! " riep hij waarderend. Dit was niet tegen dovemansoren gezegd. Echter toen Case ook
aanstalten maakte mee te gaan, riep hij: "Jij niet, jij hebt niet geholpen!"
"Maar het was mijn idee," wierp Case tegen. Dat was ook wei zo, dus mocht onze snoeper gelukkig toch meekomen. Op het paviljoen deden ze zich tegoed aan gebakjes en groene ranja.
"Bent u ook een boef?" vroeg Hietse aan de gulle gever. Toen de man de jongens verzekerde dat dit niet het geval was, besloten de jongens subiet op te stappen.
"Het is niet persoonlijk bedoeld, maar we moeten nog een paar boeven
vangen," verklaarde Coolio.
Toen de jongens weer over het meer voeren, zagen ze dat op het eiland iets geheimzinnigs aan de hand was. Behoedzaam kwamen ze naderbij en tussen de wuivende rietstengels heen zagen onze vrienden een bijeenkomst van een tiental Chinees uitziende personen. Er scheen een heftige discussie gaande te zijn, die in het Chinees werd gevoerd. Hoewel geen van de jongens de Chinese taal machtig was, konden ze het gesprek toch goed volgen, want over het water klinken de stemmen ver. Hun adem inhoudend luisterden de jongens ademloos toe. Toen de Chinezen het onderling eens waren en elkaar lachend op de schouders sloegen, wisten de jongens genoeg.
"We moeten ogenblikkelijk veldwachter De Wit waarschuwen," fluisterde Case, die witheet van woede was geworden. Maar Hietse had de motor al gestart en in de hoogste versnelling voer de Hagedis terug naar het dorp. Gelukkig stond De Wit net op het dorpsplein, waar hij een praatje maakte met de doofstomme Terry. Hortend en stotend deden de jongens hun verhaal.
"Er zijn bij het eiland een aantal eigenaars van Chinese restaurants die hebben samengezworen om onschuidige burgers te bedotten. Ze hebben besloten mensen die ijs met verse vruchten bestellen voortaan in het geniep ijs met oude vruchten te serveren," deed Case het verhaal.
"Drommels nog aan toe. Wat een gewetenloze schurken," riep De Wit verontwaardigd.
"Ik zal zorgen dat ik ze op heterdaad kan betrappen!"
"Maar wat kunnen wij op dit ogenblik doen?" vroeg Hietse.
"Ga Gerrit maar vragen of hij de tractor overdwars op de polderdijk
wil zetten en vraag tevens of hij zin heeft binnenkort mee te gaan Chinezen," antwoordde De Wit, die al een plannetje had bedacht. Dat wilden de jongens wel doen en ze voeren naar de boerderij van Jelsema waar ze Gerrit inlichtten, die zijn medewerking beloofde. Gerrit was al net zo verontwaardigd als De Wit en de jongens. Speculerend over wat er verder zou gebeuren voeren de jongens nog een half uurtje over het meer. Toen werd het tijd voor het avondmaal. Case werd afgezet bij de Boschimpansee, maar helaas voor de Draadnageltjes had hij weinig geld op zak vandaag. Daarna voeren de jongens terug naar huis. Thuis aangekomen konden ze meteen aanschuiven aan de etenstafel, die moeder reeds gedekt had. Na het opzeggen van enkele gedichtjes kon de familie aanvallen.
Wellustig keek moeder toe hoe haar mannen zich te goed deden aan de broodstapel (stack), die als maar kleiner werd.
"Wat zijn het toch een gezonde sterke kerels," dacht moeder heimelijk.
"Nu ja, behalve Hietse dan, want die werd de laatste tijd zo vlekkerig.
Toch maar weer eens op 80 graden wassen, misschien helpt dat. En Sielke dan. Die kraamt de laatste tijd nog al eens wartaal uit, maar dat zal de overgang wei wezen." En zo kon moeder wel uren verder mijmeren, maar er moest ook nog afgewassen worden en daar zijn vrouwen nu éénmaal voor.
De avond leek een gezellige te worden. Vader herstelde zijn pijp, moeder stopte haar sokken en buiten veldwachter De Wit een voorbijganger. Ja, het werd een zeer gezellige avond.
Sielke en Hietse zaten te spelen met hun Commodore 16 en moeder draaide gezellige plaatjes van Husker DU en Dinosaur jr., die door de hele familie uit volle borst werden meegezongen. Om het tafereeltje helemaal te vervolmaken, haalde Hietse het fotoalbum uit de kast en vele oude herinneringen werden opgehaald.
"Sapperloot!" riep Hietse plotsklaps.
"Ik dacht altijd dat wij een tweeling waren? Maar nu zie ik toch duidelijk drie baby's in de wieg liggen." Vader en moeder waren duidelijk beduusd van deze opmerking en duidelijk klonk nu de stilte.
Zelfs Sielke stopte even met het spelen van K.B.D. K.B.D. was een spelletje waarbij je moest proberen met je fieldforce de energyshields van de mutanten dusdanig te demolishen dat het fuellevel van de xcellors onder de powerbar kwam, zodat het mogelijk werd de laserflash te activeren die met een timeslip ervoor zorgden dat de airwave met divideshots de trizons uit de barbedroorn haalde. Nadat dat gelukt was kon Jan Klaassen eindelijk Katrijn uit de handen van Bromsnor redden en was het spel uitgespeeld.
Maar dit allemaal even ter zijde.
Vader en moeder Draadnagel wisten niets meer
te zeggen op de plotselinge opmerking van Hietse, maar gelukkig kwam
Gerrit op dat moment binnen.
"Goedenavond, allemaal! Zal ik jullie weer even een rodomontade
vertellen?" riep hij luid.
"Unrecognized keyword/phrase in command," antwoordde Sielke die in
andere sferen was.
"Er was hier eens een Brabo die zo jaloers was op ons meer, dat hij heeft geprobeerd het te stelen. Hij reed elke dag heen en weer met een emmer water naar Braboland. Echter veldwachter De Wit wist hem pas te arresteren toen hij De Wit zijn vijvertje ook probeerde te stelen," fantaseerde Gerrit.
"Maar hoe is dat water dan weer teruggekomen?" vroeg Sielke serieus. Gerrit ging onverstoorbaar verder.
"Zoals jullie weten wonen hier nogal veel Korren en toen die wilden pootjebaden was al het water weg. De E.O. heeft toen een T .V .-actie op de radio gehouden en giften al over den lande stroomden binnen. Vooral de anders zo zuinige Zeeuwen bleken erg vrijgevig. Zij bleken water zat te hebben," besloot Gerrit zijn verhaal.
"Ik vind dit geen cleane bewering. Het is uitermate onprettig werken als deze trend tot decentralisatie zich dusdanig voortzet," begon Sielke te spreken.
"Wat raaskalt die jongen toch?" vroeg Gerrit verbaasd.
"Hij lijkt wel gekke Bert, die een paar jaar geleden woonde in het
oude huisje aan de polderdijk, dat tussen de boerderij van Brandsma en Stille Evert Slinger instaat, die een paar jaar geleden nog met Gretha is getrouwd, omdat Case een papieren zak, waar appels in hadden gezeten liet knallen in het dorp aan de overkant."
"Inderdaad," beaamde Hietse. "En dat allemaal omdat Henk geen ijs lust te." Omdat vader Draadnagel Lang Leve De Hagedis niet gelezen had ontging de strekking van dit verhaal hem volkomen. Daarom voorspelde hij, wijzend op Sielke : "Ik denk dat we nog veel moeilijkheden met deze knaap gaan beleven," vulde Gerrit aan, die de smid zijn mening deelde.
"Maar Draadnagel, waarvoor ik eigenlijk kwam, kunt u mij dat geleende
geld al terugbetalen?" vroeg Gerrit.
"Waar moet ik dat vandaan halen, " lachte Draadnagel schamper. Het
was een ieder in de omgeving bekend dat het niet goed ging met de werkplaats. De mensen kochten hun spullen nu eenmaal liever bij een erkende en betrouwbare onderneming als Lekturama of Onne Boonstra. Daar kwam nog bij dat Draadnagel nogal wat geld op de beurs had verloren. Er had een gat in zijn broekzak gezeten en waarschijnlijk was het geld toen op de grond gevallen. Wat de smid echter niet wist was dat een meisje genaamd Myriam het geld gevonden had en dit allemaal had opgemaakt door bezoeken aan de waarzegster.
"Nu ja," antwoordde Gerrit bedaard, "dan licht ik wel een paar Duitsers extra op deze week. Die sukkels weten toch het verschil tussen heroïne en Dash 3 5.1 NL niet." En met deze woorden nam onze vriend afscheid.
Bij de Draadnagels kwam de stemming er niet meer in die avond. Maar Hietse besloot het mysterie van de drie baby's hoogstpersoonlijk op te lossen. Want is het niet zo als de Polynesiërs zeggen: "Wie nieuwsgierig is in de wieg ligt niet in het graf.". Of niet, beste lezertjes?
HOOFDSTUK 10
Hoe Hietse tot een vreselijke ontdekking komt en Case een metamorfose ondergaat
Na een goede nachtrust werd het grootste deel van de drieling weer wakker. Hoewel de torenklok nog geen zeven geslagen had, besloten Hie1ke en Hietse om toch al maar vast op te staan. Toen Sielke in de spiegel keek om zijn haren te kammen schrok hij zich bijkans dood, maar dit was niet zo erg, want dat gebeurde elke ochtend mits hij zijn ogen open had.
Na het ontbijt besloten de jongens eerst een slag door het dorp te maken om te zien of er nog iets te beleven was. Ze maakten wel vaker een slag door het dorp en deden dit altijd 's morgens vroeg omdat het dan nog lekker rustig was. Toen ze halverwege de Hoofdstraat waren, zagen ze Gerrit uit zijn huis komen.
"Hé," zei Sielke, "Gerrit woont daar toch niet meer; Louche heeft hem er toch uitgeschopt."
"Ja, je hebt weer eens helemaal gelijk," antwoordde Hietse. "Laten we Gerrit eens om uitleg vragen."
Gerrit zag de beide Draadnageltjes lopen en besloot eens een praatje met de jongens te maken hoewel hij terdege besefte dat hij niet erg goed bij stem was; t jonge tjonge wat was hij tekeer gegaan die nacht.
"Jongens, ik heb me vannacht wat meegemaakt. Je zult je ogen niet
geloven, luister!" zei Gerrit en hij begon zijn verhaal.
In het kort kwam het er op neer dat Huize Van Bil draaide als een tierelier en Louche kon al die drukte niet alleen meer aan. Om het werk enigszins te verlichten had ze in een impulsieve bui een meid aangenomen die er wel pap van lust te. Dit meisje was net ]8 geworden en was door haar vader, een schoenverkoper uit Chicago, USA, het huis uitgezet, omdat ze niet wilde deugen op school.
Kelly, zo heette dit meisje, was hierop spoorslags in het vliegtuig gestapt en naar Nederland gevlucht, omdat ze gehoord had dat alles hier veel vrijer was dan in dat bekrompen Amerika.
Louche, die toen toevallig op Schiphol was om een partijtje uit Columbia in ontvangst te nemen, zag die hoogblonde Kelly uit de slurf komen en dacht: "Dat is iets voor mijn Toko." Kelly had wel oren naar het voorstel van Louche, want ze wilde maar één ding